Bio- en bibliografie Rascha Peper

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Rascha-PeperRascha Peper (pseudoniem van Jenneke Strijland) werd op 1 januari 1949 in Driebergen geboren. Ze studeerde Nederlands, met als hoofdvak Middelnederlandse literatuur, en werkte enige tijd als lerares. In 1983 verhuisde ze naar Wenen vanwege het werk van haar partner die in dienst was van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar begon ze, omdat ze zich nogal ‘op zichzelf teruggeworpen’ voelde, ernst te maken met het schrijven. In die tijd ontstond de eerste versie van Oesters. Na publicatie van haar eerste verhalen in Hollands Maandblad en Tirade, zette ze zich aan het herschrijven van deze roman omdat ze “in alle valkuilen van een beginnend schrijver was getuind”.
In de Weense periode van vier jaar werd de ziekte van Hodgkin bij haar geconstateerd. Deze autobiografische gegevens zijn terug te vinden in de roman Oesters. In deze roman speelt een verhouding tussen een 20-jarige vrouw en een 60-jarige man een rol. Ook in het korte verhaal ‘Meeuwen’ uit de bundel De waterdame speelt dit gegeven. Behalve in haar latere columns voor NRC Handelsblad, gebundeld in Stadse affaires (2006) en Fantoompoezen (2012), heeft Peper zich nadien nooit meer aan het autobiografische schrijven gewaagd. Zij zei daarover in een interview met Machteld Stilting:

Oesters ging heel erg over mezelf. Dat vond ik toch een beetje eng. Ik wilde écht iets verzinnen. Fictie. Een goed verhaal dat niet met mezelf te maken heeft.”

Vervolgens schreef Peper vier novellen die werden gebundeld in Oefeningen in manhaftigheid (1992). Niet alleen liet Peper hierin het autobiografische los, maar ook het vrouwelijke perspectief, want in de meeste verhalen uit De waterdame en in Oesters worden de gebeurtenissen nog verteld vanuit van een vrouw. De vier novellen echter waren voor haar een oefening om vanuit een man te schrijven en het beviel zo goed dat ze er niet meer (geheel) van terug is gekomen.

Het mannelijke perspectief zien we dan ook opnieuw in haar eerstvolgende roman, Rico’s vleugels (1993), die inzicht geeft in de gevoelens van de oudere schelpenverzamelaar Eduard Rochèl voor de tiener Rico. De schrijfster weet daarin zo goed in de huid te kruipen van beide mannelijke personages, dat ze voor deze roman genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs 1994.

Na Rico’s vleugels schreef ze Russisch blauw (1995), over de twintiger Lex Grol, wiens leven wordt beheerst door zijn fascinatie voor de Russische tsarenfamilie Romanov. In 1996 kreeg Peper de Multatuliprijs voor deze roman. En hoewel ze in Een Spaans hondje (1998) aanvankelijk meer ruimte wilde geven aan enkele vrouwelijke perspectieven, draait ook dit boek hoofdzakelijk rond drie broers.

In Dooi (1999) beperkt Peper zich tot de gedachten van één man, Ruben Saarloos, die met zijn woonboot vast komt te zitten in het ijs op het IJsselmeer.

Ze verruilt van 1999 tot 2002 Amsterdam voor New York, waar haar man als Nederlands Diplomaat bij de Verenigde Naties werkt. Daar wordt ze in 2000 getroffen door een lichte beroerte, waarover ze later in haar columns in het NRC Handelsblad schrijft. Door haar ziekte is ze een tijdje uit de running, maar in 2003 verschijnt dan toch de lijvige roman Wie scheep gaat.

Rascha Peper streeft ernaar boeken te schrijven die vooral boeien door een meeslepend verhaal en zij hecht minder aan literaire vormexperimenten. Haar romans zijn heerlijke leesboeken met een sterke plot, boeiende karakters en sfeervolle details en geen hermetische, intellectuele, strak gestructureerde boeken.

“Ik heb een hekel aan romans die zo vreselijk bedacht en geconstrueerd in elkaar zitten, aan die netwerken waarin lezers pas op de helft in de gaten krijgen wat er aan de hand is.”

Haar thema’s ontleent Peper vaak aan berichten uit de krant. Zoals de figuren in haar werk een gepassioneerde verzamelwoede hebben, zo verzamelt zij zelf krantenknipsels waarin ze een verhaal ziet. In de novelle Verfhuid (2005) kruipt ze in de huid van kunsthandelaar Arnold Kee, die geïntrigeerd raakt door de excentrieke verzamelaar van schilderijen, Terwindus.
In 2008 verschijnt de roman Vingers van marsepein (2008), die voor een deel over de historische figuur Frederik Ruysch (1638-1731) gaat.

In 2010 stapte ze over van uitgeverij Nieuw Amsterdam naar Querido, waar haar roman Vossenblond (2011) verschijnt. In deze roman gaat Peper in op het klassieke thema van de liefde van een oudere man voor een jonge prostituee. Met als onderstroom: de onschuld te redden van het kwaad. (zie voor een interview met de schrijfster hierover lezentv.nl).

In oktober 2012 laat Peper, via haar column in NRC Handelsblad, weten opnieuw ziek te zijn. Ze lijdt aan een ongeneeslijke vorm van alvleesklierkanker. Ze is er in geslaagd om op haar ziekbed het boek waaraan ze op dat moment werkte voor een groot deel zelf af te maken. Handel in Veren verschijnt in juni 2013.
Peper overleed op 16 maart 2013 te Amsterdam, ze was 64 jaar.

Bibliografisch overzicht

De waterdame (verhalen, 1990)
Oesters (1991)
Oefeningen in manhaftigheid (verhalen, 1992)
Rico’s vleugels (1993, in 1994 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs)
Russisch blauw (1995, in 1996 bekroond met de Multatuliprijs)
Alle verhalen (verhalen, 1997)
Een Spaans hondje (1998)
Dooi (1999)
Wie scheep gaat (2003)
Verfhuid (2005)
Stadse affaires (columns, 2006)
Vingers van marsepein (2008)
Zwartwaterkoorts (2009)
Vossenblond (2011)
Fantoompoezen (columns, 2012)
Handel in Veren (verschijnt juni 2013)

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Rascha-PeperLees ook

geüpdatet op 29 maart 2013

Share