City van Alessandro Baricco

cityAlessandro Baricco
City

De Geus, 2000 [De Bezige Bij, 2009]

City is een vreemde roman. Ik heb nog niet eerder zo’n boek gelezen. Het is bepaald geen recht-toe-recht-aan verhaal. Je kunt bijna niet navertellen waar het over gaat. Je wordt steeds van de ene geschiedenis in de andere geslingerd. En op het ene moment zit je middenin een paginalange verhandeling over één of ander onderwerp (zoals de Nymphéas van Monet – zie onderaan – of over de intellectuele eerlijkheid) en het volgende moment zit je midden in een boksverslag, een stukje western of een absurde dialoog.
Dit alles is niet zonder geestigheid geschreven. De twee hoofdpersonages, Shatzy Shell en het jongetje Gould, vond ik heel aandoenlijk in hun anders-zijn.

Toen ik nog in het boek aan het lezen was, heb ik ergens de aantekening gemaakt dat ik met verkeerde verwachtingen aan het boek ben begonnen. De inleiding van Baricco en de titel hebben me op het verkeerde been gezet. De vergelijking tussen het boek (met zijn verhalen en personages) en een stad (met zijn wijken en straten) is iets wat je eigenlijk niet van te voren moet weten. Je ziet dat pas als je het boek uit hebt en tijdens het lezen stoort het alleen maar, omdat je er op probeert te letten, maar niets ziet. En ook achteraf is de vergelijking misschien niet nodig – doet ie wat geconstrueerd aan.
Ik verbaas me over de verhalende kracht die Baricco heeft, zelfs als z’n verhalen versnipperd worden verteld, blijf je lezen. En ook al interesseert het onderwerp (boksen bijv.) me niet, toch blijf ik lezen. Ik had die verhalende kracht al eerder ervaren toen ik de novelle Novecento las. Ik keek er in en ongeveer anderhalf uur later keek ik er weer uit op en had ik het helemaal uit gelezen. Dat was trouwens m’n eerste kennismaking met Baricco en nu blijf ik ‘m lezen, ook na City.


Tot slot wat fragmenten uit City over de vergelijking die Shatzy Shell maakt tussen de weg die rivieren naar de zee afleggen en de weg die mensen afleggen in hun leven. Mooie vergelijking, maar vooral de vele woorden (waarin ik hier en daar heb geknipt) die Shatzy nodig heeft, zijn illustratief voor wat ze aan het zeggen is. Bovendien is de terloopse vergelijking die ze op het eind van het eerste citaat maakt mooi; ze vergelijkt mensen met rivieren, maar denkt dat ze zelf misschien toch op een meer lijkt. Daarbij wordt de invulling van die vergelijking over gelaten aan de lezer …

[p. 237 e.v.]:
“[…] er zit iets absurds in al die bochten, en dus zijn ze de zaak gaan bestuderen en wat ze uiteindelijk hebben ontdekt, het is niet te geloven, is dat elke rivier, ongeacht waar hij ligt of hoe lang hij is, elke rivier, echt iedere rivier, voordat hij bij de zee aankomt een weg aflegt die precies drie keer zo lang is als de weg die hij zou afleggen als hij rechtdoor ging […] en dat allemaal door die bochten […] alsof het een verplichting is, een soort regel die voor iedereen geldt […] het minste wat je kunt verwachten is dat het voor ons toch ook min of meer hetzelfde is, en dat al dat heen en weer zwalken, alsof we gek zijn, of erger nog verdwaald, in werkelijkheid gewoon onze manier is om rechtdoor te gaan, een wetenschappelijk exacte manier, en zo gezegd al voorbestemd […] Dat verhaal van die rivieren, ja dat is een verhaal dat wel geruststellend is als je erover nadenkt, ik vindt het heel geruststellend, dat er achter al onze stommiteiten een objectieve regel ligt, […] we zijn gewoon verschillende rivieren, blijkbaar, ik zal wel een ander model rivier zijn, trouwens, nu ik erover nadenk ben ik waarschijnlijk in plaats van een rivier, ik bedoel, het kan best zijn dat ik een meer ben, ik weet niet of je dat snapt, misschien zijn sommigen rivieren en anderen meren, […]”

[p. 265]:
“‘Het is alsof ze *verplicht* zijn om te kronkelen, snapt u? Het lijkt absurd, als je erover nadenkt komt het je onvermijdelijk als absurd voor, maar het feit is dat ze gewoon op die manier vooruit *moeten* gaan, de ene bocht aan de andere rijgend, en het is geen absurde of logische manier, het is niet goed of fout, het is gewoon hun manier, hun manier en meer niet.'”

[p 104-105 – Monets Nymphéas]:

“Monet had het niets nodig, zodat zijn schilderkunst vrij zou zijn om, bij het ontbreken van een onderwerp, zichzelf af te beelden. In tegenstelling tot wat een argeloze toeschouwer zou kunnen suggereren, zijn de Nymphéas geen voorstellingen van waterlelies, maar van de blik die naar ze kijkt. De lelies vormen de afdruk van een bepaald waarnemingsstelsel. Om precies te zijn: van een duizelingwekkend afwijkend waarnemingsstelsel. Andere collega’s die beslist gezaghebbender zijn dan ik – sprak prof. Mondrian Kilroy met misselijkmakende valse bescheidenheid – hebben reeds onthuld dat de Nymphéas geen coördinaten hebben, dat wil zeggen dat ze lijken rond te drijven in een ruimte zonder hiërarchieën waarin dichtbij en ver weg, boven en onder, vroeger en later niet bestaan. Technisch gesproken zijn ze de blik van een oog dat niet kan bestaan. Het gezichtspunt van waaruit ze gezien worden bevindt zich niet aan de rand van de vijver, niet in de lucht, niet vlak boven het water, niet van veraf, niet van dichtbij. Het is overal. Misschien zou een astigmatische god ze zo kunnen zien – mocht prof. Mondrian Kilroy graag opmerken. Hij zei altijd: de Nymphéas zijn het niets gezien door de ogen van niemand.
Zo komt het dat kijken naar de Nymphêas betekent kijken naar een blik – zei hij – en dan nog een blik die niet te herleiden is tot iets wat we al eens eerder ervaren hebben, maar een unieke, niet te herhalen blik, een blik die nooit de onze zou kunnen zijn. Met andere woorden: kijken naar de Nymphêas is een uiterste ervaring, een vrijwel onmogelijke opdracht. Dat feit kon Monet niet ontgaan zijn, in de lange periode waarin hij met maniakale pietluttigheid bezorgd bezig was een bijzondere rangschikking van de Nymphéas te bestuderen die de niet-zienbaarheid ervan tot het uiterste reduceerde. Wat hij uiteindelijk bedacht was een elementair, op zich onschuldig slimmigheidje dat ook vandaag de dag nog een zekere doeltreffendheid toont en dat tot irrelevant logisch gevolg had dat die waterlelies de studieradius van prof. Mondrian Kilroy binnenglipten. Monet wilde dat de Nymphéas werden opgesteld – precies in volgorde – op acht gebogen wanden.
(…) Het was dus met tintelende voldoening dat prof. Mondrian Kilroy zich op dat moment gerechtigd voelde om dia nr. 421 te projecteren, met een afbeelding van de twee zalen van de Orangerie in Parijs waar de Nymphéas van Monet in januari 1927 werden opgesteld, en waar bet publiek ook vandaag de dag nog de kans krijgt ze te zien, voorzover zien niet een volkomen ongeschikte term is voor de onmogelijke bezigheid van ernaar te kijken.”

Share