Conrads rivier van Mineke Schipper

Mineke Schipper
Conrads rivier
Contact, 1994

DE SCHRIJFSTER
Mineke Schipper is in 1938 in Nederland geboren. Tussen 1964 en 1968 en opnieuw van 1970 tot 1972 woonde en werkte zij in Zaïre. Zij doceerde daar Frans aan de Université Nationale de Zaïre. Zij stuitte tijdens deze periode in Zaïre op een lancune in haar opleiding. Het woord Afrika was tijdens haar studie Frans nooit gevallen. Ze begon zich tijdens haar verblijf in Zaïre dan ook steeds meer bewust te worden van het zogenaamde eurocentrisme. Mineke Schipper begon hierdoor allerlei vragen aan zichzelf te stellen met betrekking tot de visie vanwaaruit men naar de werkelijkheid kijkt. Als je bijvoorbeeld naar het nieuws op televisie kijkt en er is een aardbeving geweest op de breuklijn die door Amerika en China loopt, dan krijgt men vooral beelden te zien over wat er in Amerika gebeurd is. Dit zegt volgens Schipper iets over wat men als centrum van de wereld beschouwt en wat als periferie.
Dezelfde indeling van centrum en periferie wordt gemaakt met betrekking tot de bestudering van literatuur en Schipper zet hier haar vraagtekens bij. Reeds in Zaïre aan de Université probeert zij dit eurocentrisme te doorbreken. Zij begint zoveel mogelijk Franstalige Afrikaanse auteurs te lezen en zet hun boeken op het lesprogramma. Als ze in 1972 weer terugkomt in Nederland gaat ze verder met het onderzoeken van dit verschijnsel, ze promoveert, wordt wetenschappelijk medewerker en later bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en sinds 1 januari is ze gewoon hoogleraar in de interculturele literatuurwetenschap in Leiden. Dit is een unieke leerstoel binnen West-Europa. Het gaat in de interculturele literatuurwetenschap om de vergelijking van literatuur in verschillende culturen.
Schipper publiceert veel op wetenschappelijk gebied, bijvoorbeeld over Afrikaanse letterkunde (vanuit verschillende onderwerpen belicht), over de autobiografie in verschillende culturen en over spreekwoorden over vrouwen. Naast haar vele wetenschappelijke werken heeft ze nu haar eerste roman geschreven: Conrads rivier (1994). Deze roman speelt zich af in Zaïre, de voormalige Congo. Haar manier van kijken naar de werkelijkheid en haar manier van vragen stellen bij de eurocentrische visie op de wereld spelen in deze roman eveneens een rol.

INHOUD

Het verhaal speelt zich af in de jaren ’60 in de toenmalige Belgische Congo. Ellen trouwt met Gerard en emigreert met hem naar de Congo, waar Gerard voor een westers bedrijf gaat werken. Ellen wordt onderwijzeres aan de universiteit. Congo is politiek onrustig door een dreigende burgeroorlog. Voor Gerard is dit alleen maar lastig, maar Ellen hoort van haar studenten en collega’s een andere kant van het verhaal. Door haar vriendschap met Antonio en Mofolo komt ze in conflict met haar man, die andere, westerse, belangen heeft en ze wordt gedwongen om keuzes te maken. Ze verlaat Gerard voor een tijdje om in Stanleyville als vrijwilliger aan de universiteit te gaan doceren. Ze neemt dan een beslissing die voor haar niet zonder gevolgen blijft.

HISTORISCHE ACHTERGROND

De korte historische schets die hier gegeven wordt, dient te verduidelijken in welke tijd het verhaal zich afspeelt en tegen welke politieke achtergrond Ellen haar dagboek schreef.
Aan het eind van de vorige eeuw, rond 1875, raakte de Belgische koning Leopold II geïnteresseerd in het gebied dat nu Zaïre beslaat. In februari 1885 werd er een Afrika-conferentie in Berlijn samengeroepen en bij de afsluiting van die conferentie was de kolonisering van Afrika door Europa een feit geworden. Leopold kreeg hierna zijn eigen kolonie, de ‘Congo-Vrijstaat’. Leopold faalde echter als gezaghebber en in 1906 werd er al voor gepleit om de Vrijstaat over te laten nemen door de Belgische staat.
Op 15 november 1908 aanvaardde het Belgische parlement, niet zonder tegenzin, de Congo als kolonie. Zij deed haar best om voor het oog van de wereld te bewijzen dat zij Afrika wilde en kon `beschaven’. In de kolonie begon echter het nationalisme te groeien en de Tweede Wereldoorlog speelde later hierbij ook een rol. Reeds in 1956 kwam er van de kant van de bisschoppen van de Belgische Congo een oproep tot zelfbeschikking en zelfbestuur van de Congolezen, waardoor het politieke bewustzijn van de Congolezen groeide.
Op 30 juni 1960 werd de Congo een onafhankelijk land, maar zowel op politiek als economisch gebied bleef het land gebonden aan België. Er ontstonden dan ook al snel spanningen door het eeuwige financiële geschil tussen Zaïre en België en er braken burgeroorlogen uit. In deze Congolese burgeroorlogen van de jaren 1960-65 deden overigens voor het eerst ‘kindsoldaten’ mee.
Op 24 november 1965 komt er een einde aan deze burgeroorlogen. Als er namelijk opnieuw politieke spanningen uitbreken tussen de president, Kasavubu, en de premier, Moïse Tshombe, besluit de generaal van het Congolese leger, Mobutu, tussenbeide te komen. Op 24 november schakelt hij ze allebei uit en trekt alle macht naar zich toe.
Het verhaal van Ellen speelt in deze burgeroorlogen van de jaren 1960-65. Haar dagboek begint in september 1964 als de situatie wederom erg onrustig is. Een jaar later in november beschrijft zij de staatsgreep van Mobutu. De roman is dus gebaseerd op historische, waargebeurde feiten.
(Overigens is de dictatoriale positie van Mobutu sinds september 1991 erg verzwakt. Hij moest een nieuwe regering onder leiding van oppositieleider Tshisekedi toestaan.)

PERSONEN

Het hoofdpersonage is Ellen: zij is een jonge vrouw, pas afgestudeerd in de Letteren. Ze trouwt met Gerard en emigreert met hem naar de Belgische Congo. Daar maakt ze een ontwikkeling door van naïeve Nederlandse tot politiek bewuste vrouw. Ellen is een typisch ‘round character’. Dit is een literair-technische term voor een personage dat meer is dan enkele aan hem/haar toegedichte eigenschappen, een personage dat dus een ontwikkeling door maakt.

Gerard, Ellens man: een goeduitziende man van achter in de dertig, carrièregericht en hij verwacht eigenlijk van zijn vrouw dat ze thuis op hem gaat zitten wachten en alleen voor hem leeft. Zijn karakter wordt niet goed uitgediept, waardoor hij een beetje een statisch personage wordt, bestaand uit een paar aan hem toegeschreven kenmerken en typeringen. Dit wordt ook wel een ‘flat character’ genoemd.

Hedda, Ellens vriendin: zij speelt nauwelijks een actieve rol in deze roman. Ze fungeert louter als vertelster en als praatpaal voor Ellen (want Ellen richt het dagboek en een paar brieven aan haar). Je zou haast kunnen zeggen dat Hedda slechts een technisch middel is om het verhaal vorm te geven, want als personage komt ze nauwelijks uit de verf.

Mofolo, Ellens student: een intelligente, Zuidafrikaanse jongen met uitgesproken ideeën over de politiek-maatschappelijke situatie. Ellen voert veel gesprekken met hem en door de confrontatie met hem leert ze om op een andere manier naar de gebeurtenissen om haar heen te kijken.

THEMA EN MOTIEVEN

In deze roman vindt men Mineke Schippers ideeën terug over de visie op de werkelijkheid, die veelal westers bepaald is zonder dat men zich daarvan bewust is (zie het gedeelte over de schrijfster). De hoofdpersoon, Ellen, is bij aanvang van het verhaal zo’n typisch naïeve vrouw met een westerse visie. Zij maakt echter een ontwikkeling door van naïeve Nederlandse tot politiek bewogen vrouw, waarbij zij als het ware leert ook vanuit een ander dan westers perspectief naar de werkelijkheid te kijken. Deze bewustwording komt tot stand door de confrontatie met anderen.
Het centrale thema zou dan ook als volgt geformuleerd kunnen worden: Zelfbewustwording komt tot stand door confrontaties met anderen. Ellen leert zichzelf namelijk pas kennen en wordt pas een politiek bewuste vrouw op het moment dat zij in aanraking komt met de gebeurtenissen in de Congo. Het spreekt voor zich dat als Ellen niet naar Afrika geëmigreerd zou zijn, zij ook nooit te maken had gekregen met deze gebeurtenissen en dat zij dan nog altijd een westerse, afstandelijke mening over het land had gehad (als ze al een mening of visie had gehad). Echter niet alleen haar emigratie naar Afrika maar ook de confrontatie met andere mensen heeft bij haar het bewustwordingsproces op gang gebracht. Er zijn namelijk ook voorbeelden van personages die typisch westers zijn blijven denken, zoals Gerard, Edward en Alice, ondanks het feit dat ze in Afrika wonen. Zonder de confrontatie met mensen die een niet-westerse visie hebben, zoals Mofolo en Antonio, zou Ellen ook niet beter weten.
Ellen leert zichzelf niet alleen kennen in de confrontaties met Mofolo, maar ook in die met haar man, Gerard. Hij vertegenwoordigt de westerse denkwijze, namelijk het eurocentrisme. Het zal Gerard allemaal een zorg zijn wat er met het land en zijn inwoners gebeurt, zolang zij maar veilig zijn en het bedrijf maar goed draait. Kortom, Ellens zelfbewustwording komt tot stand door de confrontaties met andere mensen.

Naast en in relatie met dit thema spelen ook andere motieven een rol, zoals:
– vervreemding binnen het huwelijk: door de ontwikkeling die Ellen doormaakt vervreemdt ze van haar man
– wantrouwen (als gevolg van vervreemding) binnen het huwelijk: Gerard en Ellen verdenken elkaar van overspel
– politieke wrijving: de confrontaties tussen mensen zijn veelal politiek-maatschappelijk georiënteerd

Verder spelen ook terugkerende motieven met een symbolische waarde een rol: ‘het verdrinken’ en ‘de rivier die nooit terugkeert naar zijn oorsprong’. Deze motieven hebben te maken met het symbool water. Het verdrinkingsmotief keert herhaaldelijk terug. Zo wordt er bijvoorbeeld verteld dat Ellen vroeger bijna verdronken is geweest en op pagina 49 wordt er een verdronken student op de bodem van het zwembad van de universiteit gevonden. Dit verdrinkingsmotief wijst steeds indirect vooruit naar het einde van Ellens verhaal, waarin zij zelf in een soort van verdrinkingsdood eindigt. De precieze omstandigheden omtrent haar einde zijn niet bekend, maar het staat vast dat ze de dood vindt in de rivier.
Het tweede symbolische motief van de nooit naar zijn oorsprong terugkerende rivier komt ook herhaaldelijk voor, doordat het door verschillende mensen een aantal keer wordt verwoord. Die rivier staat symbool voor het op gang gekomen emancipatieproces, zowel dat van Ellen als dat van de Afrikaanse bevolking. Het emancipatieproces van de Afrikaanse bevolking is niet meer om te keren, als men eenmaal in de stroom (van de rivier) zit, kan men niets anders meer dan mee vooruitgaan met de stroom, want het kan nooit meer zo worden zoals het oorspronkelijk was. Ditzelfde geldt voor Ellen; vanaf het moment dat de bewustwording eenmaal op gang was gebracht, die haar tot politiek bewogen vrouw heeft gemaakt, was er voor Ellen geen weg meer terug naar de naïve jonge vrouw van voorheen.
Naast deze twee motieven zijn er nog enkele andere elementen die samenhangen met het symbool water. Zo wordt bijvoorbeeld Andersens sprookje over de kleine zeemeermin door Ellen aangehaald. De zeemeermin staat symbool voor de tweedeling tussen de natuurelementen water en aarde en Ellen vergelijkt zichzelf met de zeemeermin.
Een ander met water in verband staand element is de uitdrukking ‘Ik heb dorst’, die door verschillende ambtenaren wordt gebruikt om geld te vragen.

STRUCTUUR EN VERTELDE TIJD

De roman is een raamvertelling. Het centrale deel van de roman is het dagboek van Ellen, waarin Ellens verhaal wordt verteld. Dit dagboek gaat over haar persoonlijke en politieke belevenissen in de Congo. Dit dagboekverhaal, dat het eigenlijke verhaal vormt, wordt door Ellens vriendin, Hedda, binnen een kader geplaatst. Zij leidt het dagboek van Ellen in met aantekeningen die een periode beschrijven die vooraf gaat aan Ellens vertrek naar de Congo. Hedda geeft ook vooruitwijzingen in haar inleidende aantekeningen. Op het moment dat zij namelijk deze inleiding schrijft kent ze de afloop van het verhaal al en daar verwijst ze in bedekte termen naar. De ‘Voorwoorden’ en ‘Beginnotities’ van Hedda vallen eigenlijk pas op hun plaats als je als lezer het hele verhaal kent, juist omdat het slechts aantekeningen zijn en ze niet tot een logisch verhaal herschreven zijn. Het verloop van het verhaal, de vertelde tijd, is dus niet chronologisch. Hedda sluit ook het dagboek af met het construeren van een mogelijk einde. Bovendien wordt het dagboek nog onderbroken door het zogenoemde ‘Intermedium’, hetgeen aantekeningen bevat voor een scenario, die Hedda gemaakt heeft tijdens haar korte bezoek aan Ellen rond de jaarwisseling. Het laatste hoofdstuk van de roman heet ‘Première’ en gaat over de film die Hedda gemaakt heeft en die vijf jaar later in première gaat; een film over Ellens leven, gebaseerd op haar dagboek.

PERSPECTIEF EN STIJL

Het perspectief wisselt tussen Hedda en Ellen. Beide vertelsters hanteren de ik-vorm. Hedda’s vertelling is in de vorm van aantekeningen neergeschreven, waardoor het geheel erg fragmentarisch wordt. In het intermedium, dat ook door Hedda wordt verteld, speelt zij zelf geen rol. Daar wordt de derde persoonsvorm gehanteerd. In het algemeen komt de stijl van Hedda’s aantekeningen erg associatief over. Zo ook het dagboek van Ellen, waarin zij met snel opkomende gedachten speelt. Bovendien hanteert Ellen erg korte zinnen, vaak niet eens volzinnen;
“Gerard is gisteravond teruggekomen. Gezellig samen eten. Verhalen uitwisselen. Feest tot diep in de nacht. Ik laafde mij aan zijn aanwezigheid. Met lijfelijke overgave.”
Ook verplaatst haar blik zich voortdurend erg snel als zij een beschrijving geeft van haar belevenissen. De beschrijvingen van haar belevenissen wisselen zich steeds af met haar overpeinzingen.

TITELVERKLARING, RUIMTE EN INTERTEKSTUALTEIT

De titel Conrads rivier verwijst rechtstreeks naar de roman Heart of Darkness van Joseph Conrad. Deze roman is ook in het Nederlands vertaald als Hart der duisternis. In deze roman van Conrad wordt door een zekere Marlow het verhaal verteld van een Europese handelsmaatschappij met hoofdkantoor in België, die hem aanstelde als kapitein op een binnenvaartroute over de Congo-rivier in verband met ivoortransporten. Marlow schrijft op wat hij meemaakt als hij een mysterieuze handelsagent met de naam Kurtz in de binnenlanden van de Belgische Congo opspoort. De rivier die Marlow bevaart wordt ook door Ellen bevaren aan het eind van Schippers roman en naar deze rivier wordt dan ook verwezen in de titel.
De ruimte waarin Schippers roman zich afspeelt, komt overeen met de ruimte waarin Conrads roman zich afspeelt, namelijk allebei in de Belgische Congo. Mineke Schipper verwijst dus niet alleen met de titel naar Conrads Hart der duisternis, maar ze verwijst er ook naar door de ruimte waarin zijn roman afspeelt over te nemen. Er is hier duidelijk sprake van intertekstualiteit. Deze term houdt in dat er in bepaalde gedeeltes van een tekst verwezen wordt naar gedeeltes van een andere tekst of teksten. Het gaat dus om een relatie tussen (= inter) teksten. Schipper neemt bijvoorbeeld ook veel citaten op uit Hart der duisternis. Dit is een van de meest rechtstreekse vormen van intertekstualiteit. Een andere mogelijke vorm van intertekstualiteit is op een indirecte manier verwijzen naar inhoudelijke aspecten van een andere tekst. Zo kun je bijvoorbeeld de hoofdpersoon dezelfde handeling laten doen als de hoofdpersoon uit de tekst waarnaar je verwijst, de brontekst, maar dit op een andere manier invullen. Zo laat Schipper haar hoofdpersoon bijvoorbeeld dezelfde over de Congo-rivier maken als Conrads hoofdpersoon, Marlow, gemaakt heeft, alleen geeft Schipper deze reis een andere betekenis en plaats binnen het verhaal.
Ook kan er sprake zijn van intertekstualiteit als er naar een bepaald thema verwezen wordt dat een belangrijke rol speelt in de brontekst, dus de tekst waarnaar verwezen wordt. In Conrads roman Hart der duisternis speelt de confrontatie van de mens met zijn eigen duistere binnenste een belangrijke rol. In Conrads rivier wordt naar dit thema verwezen; Ellen leert immers haar eigen binnenste kennen, hoewel dit op een andere manier wordt ingevuld.
Ook een duidelijke, rechtstreekse vorm van intertekstualiteit is het bespreken van de roman Hart der duisternis door de docente Ellen en de student Mofolo als onderdeel van het lesprogramma. Ellen heeft zelf haar scriptie over Conrads roman geschreven en Mofolo schrijft er een werkstukje over, waarin hij een andere visie op de roman laat zien dan Ellen in haar scriptie heeft laten zien. De discussie die Ellen en hij aan de hand hiervan voeren, heeft zowel betrekking op de roman van Conrad als op de daadwerkelijke maatschappelijke situatie waarin ze zich bevinden.
De intertekstualiteit in de roman dient dus om het thema te versterken en een extra dimensie te geven.

DISCUSSIEPUNTEN

1. Gerard en Ellen groeien steeds verder uit elkaar in de loop van het verhaal. Analyseer hun relatie door te kijken naar hoe dicht ze bij elkaar stonden aan het begin van hun relatie en naar de gebeurtenissen die veranderingen hebben gebracht in hun relatie.
Vertel elkaar daarna wat je van de brief vond, die Gerard naar Ellen in Stanleyville heeft gestuurd om te vragen of ze weer naar huis wilde komen (dit is de brief die ze op 22 november kreeg; op pagina 188-189).
Wat wordt door Ellen onder solidariteit binnen het huwelijk verstaan? En door Gerard? En wat versta je er zelf onder?

2. In het gedeelte over de schrijfster wordt gesproken over het eurocentrisme. Mineke Schipper zegt hierover in een interview:
“Van dat eurocentrisme ben ik me zelf ook pas echt bewust geworden toen ik in die andere wereld terecht kwam. Ik ging anders naar Europa kijken. De vanzelfsprekendheid waarmee we onszelf als centrum opvatten, was niet eens bewust. Maar als je ziet dat mensen in een andere omgeving vanuit een heel ander centrum denken, dan ga je je eigen cultuur en je eigen geschiedenis wat relativeren.”
Ben je je bewust van het eurocentrische denken?
Geef je mening over dit verschijnsel; moet dit bijvoorbeeld veranderen?
Denk je dat in deze manier van kijken naar je omgeving de kiem van rassenhaat ligt?

3. Wat vind je van de vorm van het boek? Geef ook aan waarom en of dat het iets doet met de leesbaarheid van het boek.
Vind je dat de vorm bijdraagt aan de literaire waarde van het boek? Waarom wel of niet?

4. De spanningen tussen 1960-65 in Zaïre, die geleid hebben tot de burgeroorlogen, vonden hun wortel in de manier waarop België de kolonie aan zijn lot overliet en in het financiële geschil tussen Zaïre en België. De voormalige kolonie bleef namelijk economisch gebonden aan de almachtige particuliere, Belgisch-koloniale bedrijven, die op export gericht waren. Bovendien werd Zaïre opgezadeld met een belangrijke staatsschuld. Want juist in de jaren vóór de onafhankelijkheid was de kolonie nogal wat leningen aangegaan bij de Belgische staat. Dus de kolonie had (verplichte) investeringen gedaan die ten goede kwamen aan de Belgisch-koloniale bedrijven, maar na de onafhankelijkheid bleek Zaïre, en niet België, met de staatsschuld belast te worden.
– Wat vind je van deze gang van zaken? Merk je in de roman iets van het financiële geschil tussen België en Zaïre?
– Wat vind je in het algemeen van de functie die blanken in Afrika hebben/hadden?
– Gerard werkt voor een almachtig, westers, op export georiënteerd bedrijf. Denk je dat dat iets met zijn visie op de politieke situatie te maken heeft? Geldt dit ook voor Edward en Alice?
– Kun je Gerard zijn (volhardende) eurocentrisme eigenlijk kwalijk nemen?

5. In Vrij Nederland van 30 april 1994 schrijft Louise Fresco over Conrads rivier dat het erg moeilijk is om een boek als dit, met zo’n politiek geladen achtergrond, literair te laten zijn en niet alleen programmatisch.
– Vind je dat Mineke Schipper te veel de nadruk heeft gelegd op de politieke aspecten in haar roman of komen juist de huishoudelijke en psychologische aspecten ook voldoende aan de orde?
– Wat vind je juist meeslepend?
– Vind je het boek literair of programmatisch? Probeer precies aan te geven waarom.

6. Als Ellen in Denemarken is met Gerard (voordat ze naar de Congo emigreren) vergelijkt ze zichzelf met de kleine zeemeermin uit het sprookje van Andersen. In het kort komt het erop neer dat de zeemeermin haar eigen leven onder water opoffert uit liefde voor een aardse prins. Lees het sprookje van de kleine zeemeermin er nog eens op na voor het beantwoorden van de volgende vragen.
– Waarom zou Ellen zichzelf aan het begin van het verhaal met de kleine zeemeermin vergelijken? Geef aan welke eigenschappen ze gemeen heeft met de zeemeermin.
– Gaat deze vergelijking aan het eind van het boek ook nog op?

7. Doet dit boek je denken aan een ander boek dat je gelezen hebt?

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

– Bossema, Wim. ‘Mythe en geschiedenis in de Afrikaanse literatuur: De ontworteling van de Pompoen’. In: De Groene Amsterdammer, 22-7-1981.
– Brouwers, Marja. ‘Een hart en zijn duister panorama’. In: Vrij Nederland, 18-6-1994.
– Conrad, Joseph. Hart der duisternis.
– Fillet, Mark. Zaïre. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen; ‘s-Gravenhage: Novib; Brussel: NCOS, 1991.
– Fresco, Louise. ‘Een ontdekkingsreis zonder weg terug’. In: Vrij Nederland, 30-4-1994.
– Heijne, Bas. ‘De geest van de mens is tot alles in staat’. In: NRC-Handelsblad, 2-4-1993.
– Newton, Alex. Lonely Planet, travel survival kit, Central Africa. Lonely Planet Publications, 1994.
– Obbink, H. ‘Mineke Schipper’. In: V.U. Magazine 22-4, (1993), 15-19.
– Renders, Luc. ‘Het Vlaams-Afrikaanse proza en het kolonialisme’. In: Literatuur 94-3, 158-165.
– Roskam, K. Mobutu: De dictatuur in Kongo. Bussum, Agathon, 1976.
– Schröder, R. ‘Mineke Schipper over orale literatuur: “Orale traditie is inspiratiebron voor Afrikaanse schrijvers”‘. In: V.U. Magazine 12-4, (april 1983), 154-157.
– Schutte, Xandra. ‘Nobele moorden’. In: De Groene Amsterdammer, 01-06-1994.

LEESSUGGESTIES

– Blixen, Karen. Een lied van Afrika.
– Coetzee, J.M. Age of Iron (ned. vertaling IJzertijd)
– Conrad, Joseph. Hart der duisternis.

Share