De eenzaamheid van de priemgetallen van Paolo Giordano

De eenzaamheid van de priemgetallenPaolo Giordano
De eenzaamheid van de priemgetallen
De Bezige Bij, 2009

Flaptekst: De zevenjarige Alice moet van haar vader elke dag tegen haar zin naar skiles. Op een mistige ochtend zondert zij zich af van haar skiklasje en besluit ze de afdaling alleen te maken, maar ze komt ten val en raakt voor de rest van haar leven verlamd aan een been. Mattia is de helft van een tweeling. Hij is hyperintelligent, zijn zusje Michela is zwakbegaafd. Als de tweeling wordt uitgenodigd voor een verjaardagspartijtje schaamt Mattia zich bij voorbaat voor het gedrag van Michela en hij besluit om haar op een bank in het park achter te laten met de opdracht dat ze daar op hem moet wachten. Als hij terugkomt is zijn zusje verdwenen en zij wordt nooit meer gevonden. Op de middelbare school kruisen de levens van Alice en Mattia elkaar en er ontstaat een merkwaardige vriendschap. Ze voelen zich vanaf de dag van hun ontmoeting verbonden, maar merken al snel hoe moeilijk het is om wezenlijk contact met elkaar te krijgen.
De eenzaamheid van de priemgetallen is het aangrijpende verhaal van een bijzondere vriendschap dat de lezer vanaf de eerste pagina in zijn greep houdt, en een grandioos debuut waarmee Paolo Giordano blijk geeft van een scherp inzicht in de complexe menselijke psyche.

Gespreksvragen

1.
De roman is verdeeld in zeven getitelde delen. Op welke wijze hangen de titels samen met de inhoud van de bijbehorende delen?

2.
Giordano heeft als motto een fragment uit Sylvie van Gérard de Nerval opgenomen. Welk verband heeft dit fragment met het verhaal?

3.
Alice en Mattia zijn twee eenzame zielen, die iets in elkaar herkennen. Mattia vergelijkt hen op pagina 137/138 met tweelingpriemgetallen, waar tussenin altijd een even getal staat “dat ze belet elkaar echt aan te raken”. Wat (of wie) is bij Alice en Mattia het even getal dat tussen hen in staat?

4.
Noch Alice noch Mattia wijdt diepe gedachten aan zichzelf. Hun psychologische problemen uiten zich in lichamelijke handelingen, in zelfdestructie en -verminking. In hoeverre vindt u dat de alwetende verteller voldoende van de innerlijke ontwikkeling van beide personages laat zien? Hoe geloofwaardig zijn Alice en Mattia?

5.
Op wie, naast Alice en Mattia, kan de titel van de roman nog meer slaan? Op wie niet?

6.
Op pagina 285 vindt een onderbreking in de chronologie van de gebeurtenissen plaats, als Alice een foto aan Mattia verstuurd die hij in het vorige hoofdstuk al heeft ontvangen. Waren er eerder in de roman aanwijzingen dat het verhaal niet geheel chronologisch verteld werd? Zo ja, welke? En welk effect heeft de chronologiebreuk van pagina 285?

7.
De verteller legt het perspectief incidenteel bij een aantal bijpersonages (Denis, Viola), waardoor de lezer meer inzicht krijgt in hun beweegredenen. Hoe heeft u dit kijkje in het hoofd van Denis en Viola ervaren? Waarom zouden juist deze bijpersonages gekozen zijn en niet enkele andere?

8.
Er spelen diverse motieven en symbolen een rol in de roman, zoals (gebrek aan) communicatie, seksualiteit, littekens of verminkingen, voedsel of (aan tafel) eten, foto’s, wiskunde of getallen, water, tweelingen. Hoe werkt Giordano deze uit en op welke wijze hangen ze samen met het thema eenzaamheid?

Share