De verdronkene van Margriet de Moor

De verdronkeneMargriet de Moor
De verdronkene

Contact, 2005

Kunnen mensen de plaats van een ander innemen? Heeft een kort, heftig leven evenveel gewicht als een lang, gewoon leven? Dat zijn vragen waar schrijfster Margriet de Moor een antwoord op probeert te vinden in haar nieuwste roman De verdronkene. Dit boek zit knap in elkaar. Zowel qua compositie, taal, thematiek, karakters en verteltempo is het geheel in evenwicht. Boeiend bijkomend aspect is dat het verhaal zich afspeelt tegen de achtergrond van de watersnoodramp in 1953, wat het een oer-Hollands boek maakt.

De twee hoofdpersonen, Lidy en Armanda, zijn zussen. Op zaterdagavond 31 januari 1953 vertrekt Lidy op verzoek van haar jongere zus vanuit Amsterdam naar Zeeland om een cadeautje te brengen naar Armanda’s petekind. Armanda gaat met Lidy’s man naar een feestje in Amsterdam. Zij hebben van plaats gewisseld zonder te weten welke gevolgen dit plannetje van Armanda zou krijgen.
Margriet de Moor vertelt de verhalen van de twee zussen naast elkaar, in twee verschillende tempo’s. We volgen Lidy op haar reis naar Zeeland waar zij in die vreselijke, historische storm terecht komt die uiteindelijk de dijken doet breken. We volgen haar stap voor stap van zaterdagavond tot maandagmorgen. Armanda’s verhaal beslaat een veel langere tijd, zo’n zestig jaar, en daarin worden tijdsprongen van maanden, jaren gemaakt. Margriet de Moor beheerst de kunst om steeds op de spannende momenten over te schakelen op het andere verhaal, waardoor de spanningsboog in deze roman strak staat.
In een taal die bij de jaren vijftig past, vertelt ze niet alleen over Lidy’s adembenemende gevecht voor haar leven, maar ook over het lange, gewone leven van Armanda, die het gevoel heeft dat ze Lidy’s plaats moet innemen in het gezin van haar achtergebleven man en dochtertje. Ze leeft het leven dat haar zus zou hebben geleefd als ze niet naar Zeeland was gegaan, en ze gaat zelfs dezelfde dingen eten als haar zus. Armanda’s onvermogen om los te laten, heeft daarom eigenlijk tot gevolg dat er twee zussen verdrinken, de één letterlijk, de ander in een leven dat het hare niet is.

Als vertelinstantie heeft de auteur voor een alwetende verteller gekozen, wat haar de mogelijkheid heeft gegeven om voldoende afstand te creëren en zo te veel melodrama te vermijden. Ook gaf het haar de mogelijkheid om indrukwekkend, gedetailleerde beschrijvingen van de storm te geven en Lidy’s avonturen in een historisch kader te zetten en van feiten te voorzien die Lidy onmogelijk kon weten.
De Moor toont zich bovendien een knap regisseur in het stroomlijnen van de langzame verhaallijn van Lidy met de snelle van Armanda. Zonder dat de verhaallijnen uit evenwicht raken, weet ze ze in elkaar over te laten vloeien en uiteindelijk samen te brengen in het laatste hoofdstuk. Hierin beschrijft ze een dialoog tussen de verdronken Lidy en de dementerende, bejaarde Armanda, die op sterven ligt. De tijd en het verschil tussen leven en dood vallen weg in dit slothoofdstuk, waarin de zussen uiteindelijk met elkaar samenvallen.

Wat dit boek extra bijzonder maakt, is dat de verschrikkelijke gebeurtenissen niet af te doen zijn met een geruststellend ‘het is maar fictie’, zoals Fleur Speet het formuleert in haar essay dat is uitgegeven bij de verschijning van De verdronkene. Het is tot leven gebrachte werkelijkheid. Maar in tegenstelling tot de vele non-fictie boeken die over de watersnoodramp zijn verschenen, gaat Margriet de Moor op zo’n manier op het persoonlijke in dat het ijzingwekkend voorstelbaar wordt wat mensen tijdens die ramp hebben ervaren. Met spijt heb ik het boek dichtgeslagen en ik benijd degenen die het boek nog mogen lezen.

De verdronkene, uitgeverij Contact, 2005, ISBN 90 254 2503 8, € 18,90.

Share