Een zoektocht naar culturele identiteit in Tsitsi Dangarembga’s Op gespannen voet

Op gespannen voetOp gespannen voet (vert. van Nervous Conditions, 1989) van de Zimbabwaanse schrijfster Tsitsi Dangarembga gaat over de zoektocht van de hoofdpersoon naar culturele identiteit in de context van een dominante Westerse cultuur. Het hoofdpersonage, Tambudzai, heeft het groeiende gevoel dat er twee tegenovergestelde posities bestaan, twee verschillende culturen of werelden, waartoe zij geen van beide daadwerkelijk behoort.
Door een analyse te maken van dit thema van ‘het zich tussen twee culturen in bevinden’, hoop ik de ontwikkeling van (de subjectiviteit van) de ik te schetsen. Dit thema van interculturalisme1 houdt verband met andere thema’s zoals die met betrekking tot sekse, klasse en ras. Ik zal deze andere thema’s ook in mijn analyse betrekken en proberen te schetsen wat het onderlinge verband is tussen deze thema’s, zoals Zoë Wicomb adviseert in haar artikel ‘To hear the Variety of Discourses’. Ik zal hier echter geen ruimte hebben om het sekse-, klasse- en rasdiscours uit te diepen, ik zal me moeten beperken tot het thema van interculturalisme en de daarmee verband houdende citaten en onderwerpen met betrekking tot deze drie discoursen.
Alvorens ik de analyse van dit thema beschrijf en daaruit mijn conclusies trek, zal ik de historische achtergrond schetsen waartegen het verhaal van de hoofdpersoon zich afspeelt, zodat de hoofdpersoon in de lokale, politieke context geplaatst wordt (Mohanty, 1991). De analyse van het thema van het interculturalisme in het boek zal bestaan uit een beschrijving van de twee culturen, het verloop van Tambu’s bewustwording van haar positie, waarbij de raakvlakken met het sekse-, klasse- en rasdiscours aan de orde zullen komen en ten slotte uit de beschrijving van Tambu’s relatie met haar nicht Nyasha.

HISTORISCHE ACHTERGROND2
Nervous Conditions speelt zich af in de jaren zestig in het toenmalige Rhodesië, het deel dat nu Zimbabwe heet. Zuid-Rhodesië verklaarde zich in 1965 onafhankelijk van Groot-Brittannië (de zogenaamde Unilateral Declaration of Independence), maar continueerde binnen de door het blanke regime afgeroepen autonomie zijn apartheidspolitiek. Dus in feite was men nog niet verlost van de Westerse overheersing. Pas na vijftien jaar guerrillaoorlog kreeg Rhodesië in 1980 zijn zwarte meerderheidsregering en schaarde het gebied zich onder de naam Zimbabwe bij de andere onafhankelijke Afrikaanse staten. Dus pas in 1980 kende het land een echte onafhankelijkheid. In deze situatie waarin een blanke minderheid de macht heeft in het land, groeit de hoofdpersoon, Tambu, op en in deze context van een dominante Westerse cultuur is zij op zoek naar haar culturele identiteit.
Tambu maakt niet veel verwijzingen naar de politieke situatie in haar land, ze noemt slechts enkele data met betrekking tot familiegebeurtenissen en één keer maakt ze een negatieve opmerking over de regering van het land (140). Haar nicht Nyasha plaagt haar een beetje met haar onwetendheid op politiek gebied:
“Ze [Nyasha] wilde een heleboel dingen weten: (…) hoe het leven en de verhoudingen eruit hadden gezien voor de kolonisatie, waarom precies de Unilateral Declaration of Independence was afgekondigd en wat dat inhield. ‘Dus,’ was haar advies met betrekking tot mijn sprookjes en mijn wedergeboorte, ‘geniet ervan zolang je kan. Het blijft niet altijd zo.'” (130)3

Ze waarschuwt Tambu er hier voor dat het politieke bewustzijn vanzelf komt en dit blijkt inderdaad ook het geval te zijn aan het eind van Tambu’s verhaal. Een ander, indirect bewijs van de historische achtergrond is de aanwezigheid van de (scholen op de) zendingsposten, waaruit nog altijd de Westerse dominantie blijkt. Tambu’s politieke en culturele bewustwording komt dan ook tegen deze achtergrond onvermijdelijk tot stand.

THEMATISERING VAN INTERCULTURALISME
Alvorens de thematisering van het interculturalisme geschetst zal worden, zal ik eerst een korte beschrijving geven van de twee tegenover elkaar staande culturen waartussen Tambu zich bevindt. In de daaropvolgende schets van de thematisering van genoemd onderwerp zal allereerst aandacht geschonken worden aan het verloop van Tambu’s bewustwording van haar positie, waarbij haar relaties tot anderen en de posities van deze anderen in verhouding tot haar eigen positie aan de orde zullen komen. Een aparte paragraaf zal betrekking hebben op de relatie die Tambu met haar nicht Nyasha heeft. Bij dit alles zullen zeker de onderwerpen sexe, klasse en ras aan de orde komen, omdat de mensen in Tambu’s omgeving verschillen in aard en afkomst.4

De twee culturen
De twee tegengestelde culturen of werelden waartussen Tambu zich bevindt, bestaan enerzijds uit de traditionele cultuur van Rhodesië zoals deze zich manifesteert op het platteland en in het gezin van Tambu’s ouders, anderzijds uit de Westerse cultuur zoals deze zich manifesteert op de school op de zendingspost, in de stad en in het huis van Tambu’s oom en tante.
Tambu’s ouders moeten op het land werken om in hun levensonderhoud te voorzien, want ze hebben geen van beiden een (uitgebreide) opleiding gehad, ze hebben meerdere kinderen die hen op het land helpen, hun huis is praktisch ingericht, dat wil zeggen gericht op koken, eten en slapen, met weinig gescheiden vertrekken. Ze hebben geen luxe zoals elektriciteit of een waterleiding. Kortom, het gezin leidt een eenvoudig bescheiden bestaan. Voor Tambu is dit gezin een symbool voor de ene wereld, de Rhodesische traditionele wereld.
Tambu’s oom en tante daarentegen hebben beiden een opleiding gehad op een missionarisschool en later hebben ze nog in Groot-Brittannië gestudeerd. Nu is haar oom hoofd van de school op de zendingspost en woont hij met zijn vrouw en twee kinderen in een huis op de zendingspost. Beide kinderen volgen ook onderwijs aan de school. Het huis van Tambu’s oom en tante is groot met veel vertrekken en een huishoudster. Het is op een Westerse manier ingericht en kent veel luxe, zoals elektriciteit, waterleidingen, een oven en zelfs een goed servies dat nooit gebruikt wordt. Vergeleken met dit huis is het huis van haar ouders slechts een hutje. Voor de ik-figuur symboliseren deze twee huizen de twee verschillende culturen. De huizen zijn zowel voor haar als voor haar broer Nhamo twee tegengestelden waartussen zij letterlijk en figuurlijk op en neer reizen, nadat zij van hun oom de kans hebben gekregen om naar de school op de zendingspost te gaan en in zijn huis te wonen.

Het verloop van Tambu’s bewustwording
Tambu’s kennisneming van haar positie en van de bestaande andere culturele posities begint (onbewust) als haar broer Nhamo door haar oom naar zijn huis en de school op de zendingspost wordt gehaald en dit zet zich (meer en meer bewust) door als zij zelf naar de zendingspost gaat. Het begin van de “kennismaking” met de andere, Westerse cultuur via haar broer Nhamo is erg naïef. Tambu constateert dat haar broers gedragingen afwijkend zijn, maar verbindt daaraan geen conclusies. Zo constateert ze op de eerste pagina’s bijvoorbeeld:

“hij [bracht] Nhamo wel eens thuis. Dit had Nhamo het liefst. Hij reisde niet graag met de bus omdat dat te langzaam ging naar zijn zin. (…) Hij hield er niet van het voertuig te moeten delen met diverse producten in bedenkelijke stadia van rijping, met doodsbange kippen en een enkele stinkende geit.” (7/8)

Door het gebrek aan conclusies, lijkt Nhamo gewoon een vervelend karakter te hebben, in plaats van een door luxe verwend en van zijn wortels vervreemd rakende jongen te zijn. Later wordt Nhamo’s gedrag wat begrijpelijker als Tambu zelf naar de zendingspost gaat en beschreven wordt aan welke verleidingen en luxe Nhamo blootgesteld is geweest. Echter de vanzelfsprekendheid waarmee hij dit alles aanvaard heeft, alsof het een recht is, blijft een onaangenaam persoonlijk trekje van hem dat niet zonder meer toegeschreven kan worden aan de invloed van de Westerse cultuur. Tambu begint nu wel conclusies aan Nhamo’s gedrag te verbinden:

“En nu ik zelf had ondervonden hoe snel je dat kon vergeten, werd mijn oordeel over mijn broer ook milder. In plaats daarvan werd ik me nog sterker bewust van de noodzaak mezelf trouw te blijven. Vervolgens vond ik, (…), dat ik mijn omgeving opnieuw aan een kritische blik moest onderwerpen om te zien of deze echt wel invloedrijk genoeg was om zo’n verwoestend effect op hem te hebben gehad (…) Ik kon de verleiding weerstaan.” (98)

En ze raakte er langzaam van overtuigd dat ze “niet dezelfde weg in zou slaan als mijn broer” (99).
Tambu hanteert niet alleen haar broer als referentiepunt voor haar gedrag, maar ook anderen in haar naaste omgeving. Door meer en meer te reflecteren op (haar relatie met) anderen, komt Tambu tot een steeds duidelijker inzicht in haar eigen identiteit (McKay, 1988). Daarbij spelen sekse-, klasse- en rasverschillen tussen de personen een belangrijke rol. Om te beginnen zal gekeken worden naar het raakvlak dat het interculturele thema heeft met het seksediscours.

Raakvlak met seksediscours
Tambu’s eigen, bewuste “kennismaking” met de Westerse cultuur vindt pas plaats als zij van haar oom en vader toestemming krijgt naar de zendingspost en de bijbehorende school te gaan. Ze krijgt deze kans echter pas nadat haar broer Nhamo is overleden. Daarvoor was het helemaal niet aan de orde of zij als meisje zijnde deze school mocht bezoeken. Als zij bovendien nog andere broers in de schoolgaande leeftijd had gehad, hadden ook zij voorrang op haar gekregen. Deze voorkeur voor een mannelijk boven een vrouwelijk familielid is gebaseerd op traditie. Het argument van de vader en oom is niet zozeer dat zij een jongen beschouwen als beter dan of superieur aan een meisje (Tambu had immers betere schoolresultaten), maar hun voorkeur is gebaseerd op praktische gronden. Ze redeneren dat het geen zin heeft een meisje een goede opleiding te geven, omdat een meisje zal trouwen en dan de voordelen van haar opleiding ten gunste komen van de familie van haar toekomstige man. Tambu heeft geluk dat haar oom er zoveel belang aan hecht dat tenminste een van de kinderen goed opgeleid wordt om later (ook al is het dan maar van korte duur) voor de familie te kunnen zorgen.
Opvallend hierbij is dat de oom, Babamukuru, enerzijds erg vooruitstrevend denkt; zijn ideeën over het belang van een goede opleiding hebben een Westerse inslag, terwijl anderzijds zijn ideeën over de man/vrouw verhouding gebaseerd zijn op traditie. Het komt niet bij hem op dat een vrouw die een goede opleiding heeft genoten en daardoor een goed inkomen heeft, zelf beslist wat zij met haar inkomen doet in plaats van het traditiegetrouw ten gunste van de familie van haar man te laten komen. Een voorbeeld van zijn tweeslachtige denken is:

“Babamukuru bleek me ontboden te hebben om zich ervan te vergewissen of ik wel besefte hoe bevoorrecht ik was met de kans om mij in intellectueel opzicht en uiteindelijk daardoor in materieel opzicht te emanciperen. (…) maar ik zou ook moeten leren een goede vrouw te worden, waarbij hij beide kwaliteiten even sterk benadrukte zonder daar enige tegenstrijdigheid in te ontwaren.” (122)

Dus Tambu’s oom vindt het prima als een vrouw zich emancipeert in intellectueel en materieel opzicht zolang ze nog maar wel de goede, traditionele vrouw voor haar man blijft. Zijn eigen vrouw, Maiguru, is ook onderworpen aan de traditionele regel, de verplichting om haar inkomen af te staan ten gunste van haar mans familie, terwijl zij toch in de ogen van Tambu een verwesterde vrouw is. Maar Tambu komt er geleidelijk aan achter dat ondanks haar hoge opleiding, Maiguru niet zo vrij is als zij dacht:

“Ik had met Maiguru te doen, omdat ze het geld dat ze verdiende niet voor haar eigen doeleinden kon gebruiken en omdat het huwelijk haar ervan had weerhouden de dingen te doen die ze wilde doen.” (141)

Tambu ziet haar komst naar de zendingspost als haar “wedergeboorte” (128). De eerste dagen na haar aankomst daar probeert ze nog wanhopig contact te houden met haar traditie, haar afkomst, zoals blijkt uit haar eerste kennismaking met een theezeefje. Ze zegt dan: “Als ik naar huis ging zou ik wel eens kijken of thee echt minder lekker was zonder theezeefje.” (102) Later echter neigt ze al veel meer naar de andere cultuur:

“Ik daarentegen wilde niets liever dan samen met mijn oom en tante voor de kerk staan. Ik wilde laten zien dat ik tot hun soort mensen behoorde, want ik had het gevoel dat iets van onze nederzetting nog aan mij kleefde en me er anders uit deed zien.” (137)

Ze raakt dan ook meer en meer het contact met haar traditie kwijt. Haar moeder klaagt over het feit dat ze niet meer met haar dochter kan praten omdat ze niets meer met elkaar gemeen hebben.
Het interessante is dat juist haar moeder en haar lijden Tambu zo vastberaden hebben gemaakt om te ontsnappen aan de traditionele wereld en om de kans die de Westerse wereld haar biedt ten volle te benutten, zoals blijkt uit de woorden:
“Toen riep ik mezelf tot de orde door aan mijn moeder te denken, die zo stoïcijns onder haar vrouwzijn, haar armoe, haar gebrek aan scholing en haar zwart-zijn leed dat ik me schaamde voor mijn eigen gebrek aan ruggengraat (…) Ik beloofde opnieuw plechtig om de kans die mijn oom mij gegeven had ten volle te benutten.” (124)
Uit dit citaat blijkt dat haar motivatie beïnvloedt wordt door het juk van haar sekse, klasse en ras dat op haar drukt. Zoals uit de ervaringen van haar tante, Maiguru, blijkt, is het niet vanzelfsprekend dat het nadeel van het vrouwzijn van je afvalt zodra je een hoge opleiding hebt genoten, want hoewel Maiguru hard worstelt om door haar man als gelijke gezien te worden, lukt dit haar niet. Aan de armoe en onontwikkelde status heeft zij zich echter wel weten te ontworstelen, hetgeen ons brengt bij het raakvlak dat het thema van interculturalisme heeft met het klassediscours.

Raakvlak met klassediscours
In de eerste dagen nadat Tambu in het huis op de zendingspost is aangekomen, merkt ze wat het klasseverschil inhoudt. Niet alleen ziet ze aan al de luxe om haar heen dat haar oom en tante tot een hogere klasse behoren dan zijzelf en haar ouders, ze merkt bovendien aan het veranderde gedrag van de huishoudster, Anna, dat zijzelf nu tot een andere klasse lijkt te behoren.

“Anna klopte aan, kwam binnen en knielde. (…) Het was merkwaardig dat ze me met ‘Sisi’ was gaan aanspreken, ze was immers ouder dan ik en hoefde dat daarom niet te doen; dat had ze ook niet gedaan toen ze met Nhamo’s begrafenis naar ons huis was gekomen. (…) Het was een ontgoocheling dat ik vanwege mijn verhuizing iemand was geworden met wie Anna niet kon praten.” (118/119)

Tambu’s bewondering voor haar oom en tante heeft veel te maken met het verschil in klasse dat tussen hen en haar bestaat. Zij hebben zich beiden opgewerkt door middel van hoge scholing, waardoor zij niet meer tot de lage klasse behoren. Ook door dit grote verschil in klasse tussen Tambu’s vader en Babamukuru likt de vader de hielen van zijn broer. Babamukuru heeft daarbij meer aanzien dan zijn vrouw omdat hij een man is. Het ontzag dat Tambu en anderen hebben voor Babamukuru is dan ook een combinatie van sekse- en klassedominantie. Tambu bewondert haar oom vlak na haar aankomst in zijn huis dan ook als een soort ‘God’:

“Gelukkig, of misschien wel jammer genoeg voor hem, had Babamukuru zich zijn hele leven lang – als oudste zoon, als een van de eerste ontwikkelde Afrikanen, als schoolhoofd, als echtgenoot en vader, als kostwinner voor velen – in een positie bevonden waardoor hij gemachtigd was zijn directe omgeving zijn wil op te leggen. (…) Stoïcijns aanvaardde hij zijn goddelijkheid. (…) Babamukuru had altijd gelijk.” (121)

Tambu herziet haar mening over haar oom echter langzaam. Als hij ervoor zorgt dat haar ouders moeten trouwen om het ongeluk af te wenden, is zij het niet met hem eens en ze protesteert door niet naar de trouwerij te gaan. Echter hier blijkt dan ook meteen weer Babamukuru’s macht als hij haar probeert te dwingen toch te gaan door te dreigen dat hij haar weg zal sturen van school en de zendingspost. Dus hoewel Tambu zich een verbeterde klassepositie heeft verworven, blijkt deze positie grotendeels tot stand gekomen te zijn door de gratie van één persoon en deze persoon kan haar dan ook een paar stappen op deze klasseladder doen dalen door haar de opleiding te ontzeggen. Gelukkig voor Tambu voert haar oom de dreigementen niet uit, maar straft hij haar op een andere manier. Hij laat haar het werk van de huishoudster doen en laat haar op deze manier (misschien onbewust) merken dat hij de macht heeft om haar plaats op de klasseladder te bepalen.
Doordat Tambu zich door middel van scholing heeft opgewerkt in klasse behoort zij niet helemaal meer tot de traditionele cultuur, zoals die op het platteland wordt ervaren. Ze wil haar leven ook anders leven dan haar moeder bijvoorbeeld. Ze zal echter ook nooit compleet tot de Westerse cultuur behoren, en niet alleen omdat ze zelf teveel waarde blijft hechten aan haar traditie, maar ook omdat ze waarschijnlijk nooit als een gelijke gezien zal worden door de zendelingen. Het onderwerp van de blanke zendelingen brengt ons bij het raakvlak met het rasdiscours.

Raakvlak met rasdiscours
Een voorbeeld waaruit blijkt dat Tambu (en andere zwarte mensen) niet als gelijken gezien worden en niet compleet geaccepteerd worden door de blanke Westerse zendelingen, is de behandeling die ze krijgt als ze aankomt op de nonnenschool, Sacred Heart. Ze moet daar een kamer delen met zeven andere zwarte meisjes, terwijl de kamers daar niet echt op berekend zijn. De zwarte meisjes worden echter strikt gescheiden gehouden van de blanke meisjes. Tambu zelf heeft echter vóór deze gebeurtenis ook al heel goed door hoe de verhoudingen liggen tussen blanken en zwarten. Ze roert het rassenthema aan het begin van hoofdstuk zes expliciet aan door te zeggen:

“Wat de zendingspost verder nog zo anders maakte, was de aanwezigheid van zoveel blanken. Het was een bijzonder soort blanken, had mijn oma mij uitgelegd: deze waren namelijk heilig. Ze waren niet gekomen om te nemen maar om te geven. (…) Het was een groot offer dat de zendelingen brachten. (…) een offer waardoor ze ver verheven waren boven ons, en ook boven die andere blanken die hier alleen naar toe waren gekomen vanwege het avontuur en onze smaragden. (143)

Tambu maakt hier terloops een onderscheid tussen de blanke zendelingen en de avonturiers. Verderop geeft ze nog bedekt een stukje historische achtergrond door te zeggen dat er tegenwoordig minder blanken op de zendingspost zijn en dat ze zich geen zendelingen meer noemen maar ‘expatriates’, maar dat dat voor haar geen verschil maakt in haar omgang met deze mensen. Je kunt hier tussen de regels door lezen dat de onafhankelijkheidsverklaring van 1965 weinig verandering heeft gebracht in de macht van de blanken.
Tambu zegt eerst ronduit dat de zwarte mensen de blanken verafgoodden, maar later geeft ze heel subtiel aan hoe de verhoudingen tussen haarzelf en de blanken lag:

“In die tijd echter – en vergeet niet dat ik toen nog erg jong was, erg jong en gerechtvaardigd in mijn verlangen alle superieure wezens die ik op de zendingspost tegenkwam te bewonderen en te eerbiedigen – in die tijd was ik erg gesteld op de zendelingen. (…) Ik vond het slecht en abnormaal van mezelf dat ik niet in staat was zoveel van blanken te houden als ik eigenlijk zou moeten doen. Dus was het fijn om de gezonde jonge zendelingen te zien en te ontdekken dat sommige blanken net zo mooi waren als wij.” (144)

Door de zin “en vergeet niet … te eerbiedigen” er tussen te voegen, bekritiseert Tambu in feite haar eigen bewondering voor de zendelingen. Ze geeft ook toe dat ze het gedrag van sommigen maar moeilijk te begrijpen vindt, omdat deze soort van zendelingen zich probeert te gedragen als Afrikanen en met de zin: “Ik vroeg me vaak af hoe het hen zou vergaan als ze weer terug naar huis gingen en zich niet meer als Afrikanen konden gedragen” (144) geeft ze impliciet aan dat de blanke zendelingen niet in Afrika thuishoren. Verder zegt ze “Niet alle zendelingen waren echter zo. De meeste waren iets normaler.” (144/145). Ze zegt niet dat de meeste ‘normaal’ zijn, maar ‘iets normaler’, hetgeen ook weer impliciet haar negatieve mening over blanken ondersteunt.
Een eindje verderop zegt ze open en eerlijk wat onder de goede vrijgevigheid van de blanken verstaan moet worden, wanneer een zendeling, meneer Baker, de zoon van Babamukuru het aanbod doet om hem naar dezelfde blanke school in Salisbury als zijn zoon te laten gaan.

“Deze goede zendeling wilde zo graag dat Chido het beste zou krijgen wat het leven te bieden had dat hij mijn neef persoonlijk naar Salisbury reed om hem het examen af te laten leggen. Daar de blanken in die dagen coulant waren jegens jonge, veelbelovende zwarte jongens – vooropgesteld dat hun veelbelovendheid een vreedzame belofte inhield, de belofte dat ze dankbaar alles wat hen werd toegeworpen zouden aannemen zonder meer te verwachten – was het niet verwonderlijk dat Chido zowel een plaats op de school als een beurs kreeg.” (146/147)

Uit dit laatste voorbeeld blijkt dat de zwarten in feite maar marionetten van de blanken zijn, want eigenlijk wilde Babamukuru liever dat zijn zoon naar de school op de zendingspost ging om “tegenwicht te bieden tegen de on-Afrikaanse invloeden waaraan hij in Engeland had blootgestaan” (146). Dus zelfs zo’n imposante figuur als Babamukuru, die zelf dominerende eigenschappen heeft, laat zich domineren door de ‘Westerlingen’. Zijn dochter Nyasha, Tambu’s nicht, ziet in dat haar vader een ‘product’ is van de blanke Westerlingen. Nyasha is ook de persoon die Tambu attent maakt op het cultuurconflict dat is ontstaan door de inmenging van de blanke zendelingen in hun land.

De relatie met Nyasha
In Tambu’s relatie met haar nicht Nyasha krijgt het thema van zich tussen twee culturen in bevinden een andere dimensie, doordat Nyasha Tambu voortdurend bestookt met haar ideeën omtrent de cultuurproblematiek. Nyasha heeft een tijd in Engeland gewoond en heeft daar ook een opleiding gevolgd. Tambu heeft haar dan ook een hele tijd als haar verengelste nichtje omschreven in het begin van hun vriendschap, terwijl zij zichzelf zag als een typisch traditioneel meisje. Haar opmerkingen over Nyasha zijn aanvankelijk ook zeer scherp en duidelijk ingegeven door haar traditionele achtergrond.

“Het was echt erg sneu dat Maiguru, die de voorkomendheid en welgemanierdheid zelve was, zo’n recalcitrante dochter moest hebben. Het was verschrikkelijk gênant zoals Nyasha maar alles tegen haar moeder meende te kunnen zeggen.” (103)

En later noemt Tambu haar “lichtzinnig” en “oppervlakkig” (123). Desondanks sluiten de twee tegenovergestelde meisjes vriendschap.
Haar mening over Nyasha wordt geleidelijk aan milder, totdat ze uiteindelijk min of meer op één golflengte zitten. Beide meisjes ontwikkelen zich namelijk naar een positie tussen de twee tegengestelde werelden in, zodat ze tenslotte geen van beiden nog enkel traditioneel of enkel Westers zijn. Dit bezorgt hen het gevoel dat ze nergens bijhoren en met name Nyasha heeft het gevoel dat ze in een diep gat valt. Nyasha is voor Tambu de symbolisering van de interculturele positie en uiteindelijk, tegen het eind van het boek, komt Tambu tot het inzicht dat zij zich in dezelfde positie bevindt als haar nicht. Nyasha geeft haar mening vorm in haar verzet tegen haar vader, een verzet tegen hetgeen waar hij voor staat, dus tegen de verborgen kolonisatie oftewel verwesterlijking die in hun land plaatsvindt. Dit verzet breekt haar op een nacht op als zij een aanval van woede en gekte krijgt en ze verwoordt in deze aanval haar mening over haar ouders en over de blanke zendelingen:

“‘Het is hun schuld,’ zei ze, nog steeds op fluistertoon. ‘Echt, hun schuld.’ En toen werd haar toon grimmig. ‘Zij [haar ouders] kunnen er niets aan doen. Zij zijn ook slachtoffers van het systeem. Dat weet je,’ fluisterde ze. ‘Ze zijn beide slachtoffers, maar hij vooral. Ze [de zendelingen] hebben het hem aangedaan. Maar dat is niet zijn schuld, hij is goed.’ (…) ‘Ze hebben jou van jezelf beroofd, hem van hemzelf, ons van elkaar. We verlagen onszelf.’ (…) ‘Wat hebben ze ons toch aangedaan,’ zei ze zachtjes. ‘Ik hoor niet bij hen, maar ook niet bij jullie.'” (270/271)

Deze laatste zin omvat de kern van het thema van het zich tussen twee culturen in bevinden. En zoals gezegd is Tambu op eind van het boek tot het inzicht gekomen dat zij zich in dezelfde positie bevindt als Nyasha, hoewel ze toegeeft dat ze nog niet tot dit inzicht is gekomen op het punt waar het verhaal eindigt, als Tambu ongeveer zestien jaar oud is. Het boek eindigt namelijk met de woorden van een verder ontwikkelde verteller:

“Ik was nog jong toen en in staat dingen uit mijn geest te bannen, maar wat eenmaal gezaaid is, groeit. Hoewel ik het destijds niet besefte, kon ik Sacred Heart en alles wat het vertegenwoordigde niet langer beschouwen als een zonsopgang aan mijn horizon. Stilletjes, nauwelijks merkbaar en met grote tussenpozen begon iets in mijn geest zich te roeren. Het begon vraagtekens bij dingen te zetten en zich te verzetten tegen de hersenspoeling, en zo ben ik bij dit moment aangeland, het moment waarop ik dit verhaal kan neerschrijven. Het beschrijft het lange en pijnlijke proces van mijn ontwikkeling.” (275)

Dit proces van ontwikkeling brengt haar dus naar de positie tussen de twee werelden in. Tambu vindt na een lange weg uiteindelijk haar eigen plek, haar eigen positie. Je zou kunnen zeggen dat ze haar eigen discours heeft gecreëerd, hetgeen wellicht het interculturele discours genoemd kan worden.

CONCLUSIE
In mijn analyse van het interculturele thema in Dangarembga’s Nervous Conditions is duidelijk geworden dat het haast onmogelijk is te spreken van duidelijke grenzen tussen de twee tegengestelde culturen, de traditionele en de Westerse. Het is namelijk niet zo dat tot één cultuur alleen blanken óf zwarten, alleen mensen van een lage klasse óf mensen van een hoge klasse of alleen mannen óf vrouwen behoren. Al deze verschillende typeringen kunnen met elkaar gecombineerd zijn in een van de personages in het boek. Dit is ook een van de redenen waarom het belangrijk is dat in de analyse van een boek gekeken wordt naar de onderlinge verbanden tussen verschillende discoursen, zoals het sekse-, het klasse- en het rasdiscours, want op deze manier kan een veel uitgebreider beeld van een personage verkregen worden, dan wanneer men bijvoorbeeld een vrouw alleen maar analyseert door middel van bestudering van het seksediscours. Ik heb me in dit werkstuk echter wel moeten beperken tot de verbanden die het sekse-, klasse- of rasdiscours hebben met het thema van interculturalisme, waarop ik mijn aandacht heb gericht. Het zou interessant kunnen zijn om deze drie discoursen verder uit te diepen.
Het is gebleken dat Tambu een lichtelijk golvende ontwikkeling heeft doorgemaakt in haar zoektocht naar haar culturele identiteit. Ze heeft zich ontwikkelt vanuit een traditionele positie via de positie van een meisje dat graag volledig bij de Westerse cultuur wilde horen naar een interculturele positie. In dit lange proces, waarin ze zichzelf steeds reflecteerde aan anderen, heeft ze uiteindelijk haar eigen culturele identiteit gevonden of zelfs gecreëerd, want zij heeft zich niet geïdentificeerd met alle zwarte personen of met alle vrouwen in haar leven of met alle mensen van haar klasse en ook niet alleen met een van deze categorieën of een combinatie ervan, zodat je kunt zeggen dat ze haar eigen discours heeft gecreëerd, het interculturele discours.

BIBLIOGRAFIE
Dangarembga, Tsitsi. Op gespannen voet. Amsterdam: In de Knipscheer, 1993.
Stanford Friedman, Susan. ‘Women’s Autobiographical Selves: Theory and Practice. In: Benstock, Shari (ed.). The Private Self. London: Routledge, 1988.
McKay, Nellie Y. ‘Race, Gender and Cultural Context in Zora Neale Hurston’s Dust Tracks on a Road’. In: Brodzki, Bella (ed.). Life/lines. Theorizing Women’s Autobiography. Ithaca/ London: Cornell University Press, 1988.
Mohanty, Chandra Talpade. ‘Under Western Eyes: Feminist Scholarship and Colonial Discourses. In: Third World Women and the Politics of Feminism. Bloomington: Indiana UP, 1991
Werk, Jan Kees van de. Nawoord bij Op gespannen voet. Amsterdam: In de Knipscheer, 1993.
Wicomb, Zoë. ‘To hear the Variety of Discourses’. In: Current Writing, 2, 1990.

Voetnoten:
1. De term interculturalisme wordt hier gebruikt in de betekenis van het zich letterlijk tussen twee culturen in bevinden, niet wetend tot welke cultuur men behoort. De term is specifiek van toepassing op de situatie van de hoofdpersoon in Nervous Conditions en wordt daarom ook door middel van het koppelteken tussen inter en culturalisme onderscheiden van de gangbare term (en betekenis van) interculturalisme.
2. De gegevens met betrekking tot de historische achtergrond heb ik grotendeels onttrokken aan het nawoord van Jan Kees van de Werk bij de Nederlandse vertaling van Nervous Conditions.
3. Ik citeer uit de Nederlandse vertaling Op gespannen voet, Amsterdam: In de Knipscheer, 1993.
4. Misschien moet hierbij gezegd worden dat ik vanuit een blank, middenklasse en vrouwelijk standpunt deze analyse maak en dat dit waarschijnlijk onvermijdelijk zal blijken uit de accenten die ik leg in mijn benadering van Tambu’s problematiek.

Share