Essay over Rascha Peper

 

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Rascha-PeperNaar aanleiding van het recente overlijden van een van mijn favoriete auteurs, Rascha Peper, plaats ik vandaag de volledige tekst van een beschouwing die ik enkele jaren geleden over haar werk schreef voor boek-delen essays.

 

‘Stille wateren en sluimerende hartstochten’

In 2005 valt Rascha Peper de twijfelachtige eer te beurt dat Gerrit Komrij haar net verschenen novelle Verfhuid (2005) behandelt in zijn rubriek in Vrij Nederland, waarin hij wekelijks een literaire reputatie kraakt. Hij haalt een interview aan waarin Peper had gezegd ‘Ik zit een beetje buiten het literaire circuit. Toch voel ik me wel degelijk in een traditie wortelen, een traditie van vertellers. Dat is een traditie waarop ik graag voortborduur.’ Komrij laat na om de precieze bron te vermelden, het blijkt te gaan om een interview met Coen Peppelenbos (Tzum 2, 1999). Vervolgens zet Komrij zijn kraakaanval in: ‘Alsof ze het zelf bedacht heeft. Vertellen, vertellen. (…) Een romanschrijver die vertelt, is net zo bijzonder als een zebra met strepen.’ Voor het gemak laat Komrij buiten beschouwing wat aan deze uitspraak van Peper voorafgaat. Peppelenbos vraagt haar naar de zuinige ontvangst van haar boeken in de pers, en of er in het algemeen niet vaak een dédain is voor verhalende literatuur. Peper constateert dat haar werk inderdaad altijd hooguit aardig wordt bevonden, maar nooit echte literatuur. Dus in de ogen van de critici zit zij net een beetje buiten het literaire circuit, maar Peper plaatst zich zelf in de traditie van ‘vertellers als Elsschot, Bordewijk en de oude Russen’. Absoluut geen schrijvers die zomaar wat vertellen. Komrij ziet haar niet in die traditie wortelen, want de kern van zijn betoog is:

Of een romanschrijver al vertellend iets hééft te vertellen is een tweede.
Er is niets tegen zomaar wat vertellen, de leeskringen zijn hongerig en de vrije tijd vloeit rijk, maar wat vertellen tot literatuur maakt, is – hoe zeg ik het zo laagdravend mogelijk – een innerlijke noodzaak, een wereldbeeld. De rechtvaardiging van onze nieuwsgierigheid. De motor achter de vertelkracht. (Vrij Nederland, 5 november 2005)

Volgens Komrij valt Peper onder de schrijvers die zomaar wat vertellen, zonder dat ze iets te vertellen hebben, voor wie vertellen een doel vormt, geen middel. En hij bespreekt vervolgens Verfhuid.
Heeft Komrij gelijk? Is hij tot deze conclusie gekomen op basis van alleen Verfhuid? Peper heeft naast deze novelle meerdere werken op haar naam staan, aan Verfhuid zijn twee verhalenbundels en zes romans voorafgegaan. Uit die boeken spreekt weliswaar geen streven naar literaire vormexperimenten, en het zijn geen strak gestructureerde, intellectuele romans. Het zijn verhalende boeken met een sterke plot, boeiende karakters en sfeervolle details. Maar zou daar geen enkel wereldbeeld uit spreken? Wat heeft Peper te vertellen?
Er zijn enkele zaken die in het oog springen in het oeuvre van Rascha Peper. Dat zijn haar keuze voor het mannelijke perspectief, de passie van haar personages, niet zelden gericht op te verzamelen objecten, het motief water, en het feit dat haar personages vaak eenlingen zijn. Aan de hand van deze onderwerpen wordt bekeken wat de motor is achter Pepers vertelkracht.

Van autobiografisch naar mannelijk perspectief
Rascha Peper (geboren in 1949 als Jenneke Strijland) debuteerde in 1990 met de verhalenbundel De waterdame. Daarvoor had ze al een eerste versie geschreven van de roman Oesters, die in 1991, grondig herschreven, verscheen. Pas nadat ze in 1983 naar Wenen was verhuisd vanwege het werk van haar partner, die in dienst was van het ministerie van Buitenlandse Zaken, begon ze serieus werk te maken van het schrijven. In de Weense periode van vier jaar werd de ziekte van Hodgkin bij haar geconstateerd. Deze autobiografische gegevens zijn terug te vinden in de roman Oesters. Hierin speelt een verhouding tussen een twintigjarige vrouw en een zestigjarige man een rol. Ook in het korte verhaal ‘Meeuwen’ uit de bundel De waterdame speelt dit gegeven. Behalve in haar latere columns voor NRC Handelsblad, gebundeld in Stadse affaires (2006), heeft Peper zich nadien nooit meer aan het autobiografische schrijven gewaagd. Zij zei daarover in een interview met Machteld Stilting: ‘Oesters ging heel erg over mezelf. Dat vond ik toch een beetje eng. Ik wilde écht iets verzinnen. Fictie. Een goed verhaal dat niet met mezelf te maken heeft’ (Boek, oktober/november 2005).
Vervolgens schreef Peper vier novellen, die werden gebundeld in Oefeningen in manhaftigheid (1992). Niet alleen liet ze hierin het autobiografische los, maar ook het vrouwelijke perspectief: in de meeste verhalen uit De waterdame en in Oesters worden de gebeurtenissen nog verteld vanuit een vrouw. De vier novellen echter waren voor haar een oefening om vanuit een man te schrijven. Dat beviel zo goed dat ze er niet meer (geheel) van terug is gekomen.
Het mannelijke perspectief zien we dan ook opnieuw in haar eerstvolgende roman, Rico’s vleugels (1993), die inzicht geeft in de gevoelens van de oudere schelpenverzamelaar Eduard Rochèl voor de tiener Rico. De schrijfster weet daarin zo goed in de huid te kruipen van beide mannelijke personages, dat ze voor deze roman genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs 1994. De jury daarvan schreef in haar rapport onder andere: ‘Peper heeft een fascinatie voor stille wateren en sluimerende hartstochten’.
Na Rico’s vleugels schreef ze Russisch blauw (1995), over de twintiger Lex Grol, wiens leven wordt beheerst door zijn fascinatie voor de Russische tsarenfamilie Romanov. In 1996 kreeg Peper de Multatuliprijs voor deze roman. En hoewel ze in Een Spaans hondje (1998) aanvankelijk meer ruimte wilde geven aan enkele vrouwelijke perspectieven, draait ook dit boek hoofdzakelijk rond drie broers. In het interview met Machteld Stilting zegt de schrijfster daarover:

Met Een Spaans hondje was het mijn bedoeling om drie broers met hun vrouwen neer te zetten. Ieder met een eigen perspectief. Toen ik eenmaal op gang was, dacht ik: die vrouwen krijg ik nooit voor elkaar. Twee van die vrouwen vond ik zo oninteressant, die werden niet van vlees en bloed. Ik heb vaak moeite met het vrouwelijke perspectief. Misschien komt het omdat ik die afstandelijkheid van het mannelijke perspectief wel prettig vind. (Boek, oktober/november 2005)

Toch is er in deze roman wel ruimte voor een enkele zijsprong naar een vrouwelijk gezichtspunt. Een van de drie vrouwen van de broers, keramiste Pleuntje, is wel interessant genoeg en kreeg een eigen stem.
In Dooi (1999) beperkt Peper zich tot de gedachten van één man, Ruben Saarloos, die met zijn woonboot vast komt te zitten in het ijs op het IJsselmeer.
Tot dan toe verschenen haar boeken met een zekere regelmaat, maar na Dooi liet Peper haar lezers langer wachten op de volgende roman, Wie scheep gaat (2003). In 2000 werd ze namelijk getroffen door een lichte beroerte, waarover ze nadien schreef in haar column in NRC Handelsblad. Dit gebeurde tijdens haar verblijf van twee jaar in New York. Wie scheep gaat springt er in haar oeuvre wat omvang betreft echt uit. Ze richt zich in deze dikke roman op vijf perspectieven, waaronder één vrouwelijk, dat van het tienermeisje Emma. Voorlopig is dit naast Pleuntjes blik in Een Spaans hondje de enige keer na Oesters dat Peper niet alleen voor de afstandelijkheid van het mannelijke gezichtspunt kiest, want ook het meest recente Verfhuid (2005) wijkt niet af. In deze novelle kruipt ze in de huid van de kunsthandelaar Arnold Kee, die geïntrigeerd raakt door een excentrieke verzamelaar met de naam Terwindus.
Rascha Peper is op het aanvankelijke autobiografische schrijven vanuit een vrouw niet meer teruggekomen, en heeft een sterke voorkeur ontwikkeld voor het voor haar meer afstandelijke mannelijke perspectief. Hoewel ze haar verblijf in New York bijvoorbeeld wel in Wie scheep gaat heeft verwerkt, is dit niet op een autobiografische wijze gebeurd, het gaat hier alleen om beschrijvingen van de stad. Peper put dus geen inspiratie voor haar onderwerpen meer uit haar eigen leven, maar doet dat – zoals zij menigmaal in interviews en lezingen heeft verteld – uit krantenberichten. Ze is een verwoed verzamelaar van knipsels die om de een of andere reden haar aandacht hebben getrokken, met het oog op onderwerpen voor haar romans. Met een dergelijke, vaak nog heviger, verzameldrift zijn veel van haar personages eveneens behept.

Personages met een passie
Poppen, schelpen, een jonge jongen, een tsarenfamilie, (zand)kastelen bouwen, een schaatster, de Coelacanth, damesslipjes, diepzeeduiken, een schilderij – Pepers personages zijn vaak door iets of iemand gefascineerd. En niet zelden verwordt zo’n fascinatie tot iets sterkers, een obsessie of passie.
In alle boeken komt wel een passie voor, maar het ultieme verhaal binnen Pepers oeuvre over passie is Rico’s vleugels. Het echtpaar Eduard en Cecile Rochèl leidt een excentriek leven op de Filipijnen als schelpenverzamelaars. Omdat het daar onrustig wordt en zij vrezen dat hun indrukwekkende collectie ten prooi zal vallen aan de omstandigheden, komen zij met hun verzameling naar Nederland. In een huis aan zee lopen zij alle schelpen nog eens langs om de notatie te controleren, met de bedoeling ze daarna over te dragen aan een museum. Hun gedrevenheid en hartstocht voor de schelpen zijn groot, vooral die van Cecile, maar de werkelijke passie in het verhaal moeten we zoeken bij Eduard. En het betreft bij hem niet in de eerste plaats de collectie, maar, zoals later in het verhaal blijkt, zijn gevoelens voor jonge jongens. De verhaallijn rondom deze – aanvankelijk verborgen – passie bouwt Peper zorgvuldig op. Als Cecile voor een weekje naar haar zus vertrekt, wordt de veertienjarige Rico ingehuurd door dr. Bol, de conservator van het museum, om Eduard Rochèl te helpen bij het in- en uitpakken van de schelpen in het strandhuis. Bol komt daarna een gerucht ter ore over een affaire van Rochèl en een Tunesische jongen. Geleidelijk aan groeien de heimelijke blikken van Rochèl naar Rico uit tot avances. Dit gebeurt zo langzaam en subtiel, dat je er als lezer helemaal in meegaat – net als Rico zelf overigens. Hij laat de toenaderingspogingen van Rochèl toe omdat hij droomt van een betere toekomst. Hun samenzijn wordt echter telkens verstoord: dan weer door de werkster, dan weer door de komst van Bol. En uiteindelijk komt Cecile onverwacht weer thuis. Zij overziet de situatie in een oogopslag, loodst haar man naar bed en stuurt Rico de laan uit. Maar haar ingrijpen mag al niet meer baten, Eduard Rochèl heeft zijn zinnen al verloren door de (oude) opgelaaide passie. Wat volgt is een explosieve ontknoping, waarbij de schelpencollectie in vlammen opgaat en Rochèl dodelijk gewond raakt door een messteek van Rico. Op de laatste pagina vindt Bol Rochèl doodgebloed op het strand, met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht. Peper laat Bol daar naar kijken en schrijft:

Een glimlach die tot een andere werkelijkheid behoorde, ver verwijderd van de waanzin en de wanhoop waaraan hijzelf ten prooi was (…). Ernst Bol begreep weinig van passie en zeker niet van het soort passie dat voorbijgaat aan verzamelen, bezitten, conserveren; dat alles verteert en alles wegmaait wat voor de voeten komt en uiteindelijk haar vervulling alleen maar kan vinden in vernietiging, opheffing, dood. (blz. 238)

In Rico’s vleugels is niet bepaald sprake van een alledaagse relatie. Peper blijkt in haar andere romans ook een voorkeur te hebben voor onconventionele relaties. Regelmatig speelt net als in Rico’s vleugels een groot leeftijdsverschil een rol. Dat is al het geval in haar debuutroman Oesters, waarin hoofdpersoon Olga veertig jaar in leeftijd verschilt met haar geliefde Frank. Ook in het verhaal ‘Meeuwen’, dat sterk aan Oesters doet denken, is dat zo. Verder is de schaatster met wie Ruben in Dooi een korte romance beleeft, een stuk jonger dan hij. En zo ook de vriendin van een van de broers in Een Spaans hondje (Felix’ Pleuntje). In Wie scheep gaat is de jonge Emma korte tijd hevig verliefd op de oudere Robin. En de kunsthandelaar Arnold Kee in Verfhuid heeft een veel jongere vriend, een leeftijdsverschil waarover hij zich ook af en toe zorgen maakt. Ook keert een homoseksuele relatie enkele keren in Pepers romans terug, naast die in Rico’s vleugels bijvoorbeeld de zojuist genoemde in Verfhuid. In alle relaties is echter sprake van ware liefde of hevige passie.

In meerdere werken van Peper uit een fascinatie of passie zich in een drang tot verzamelen. Zo verzamelen de Rochèls schelpen – al kan de verzameldrift van Eduard Rochèl gezien worden als een substituut voor zijn werkelijke passie. Clara, uit het verhaal ‘De waterdame’, is een verwoed verzamelaar van stofjes: ‘van alle textielsoorten die maar in huis te vinden waren – kleding, gordijnen, handdoeken, meubelstoffen – knipte zij kleine hoekjes en reepjes af, om die in de schaakdoos op te bergen’ (Alle verhalen, blz. 23). In De waterdame verzamelen Duvivier en de oude dame uit het verhaal ‘Van het vuil op het hemd van een Montanari’ tot op het fanatieke af antieke poppen. Ook in Verfhuid, is een hoofdrol weggelegd voor een verwoed verzamelaar, Terwindus, die een indrukwekkende collectie heeft van werken van Duitse romantische schilders. Op deze man in het bijzonder is de definitie van passie die hierboven is geciteerd uit Rico’s vleugels van toepassing. Zijn passie voor een bepaald schilderij is zo groot, dat het inderdaad ‘alles verteert en alles wegmaait wat voor de voeten komt en uiteindelijk haar vervulling alleen maar kan vinden in vernietiging, opheffing, dood’ (blz. 238). Deze Terwindus is een typisch voorbeeld van de eenling in Pepers werk, en zal als zodanig verderop nog uitgebreid besproken worden.
Ook bij de 29-jarige Lex Grol in Russisch blauw uit een fascinatie zich in een drang tot verzamelen. Jarenlang verzamelde hij alles wat te maken had met de Russische tsarenfamilie Romanov, tot zijn verzamelwoede zo hoog opliep dat hij besloot alles op te bergen en zich er niet meer mee bezig te houden. Hij kon namelijk geen afstand meer bewaren tot het verleden. Als vijf jaar later zijn oude professor opbelt met de vraag of hij een hoofdstuk wil schrijven over de Romanovs, weet Grol dat hij het risico loopt weer helemaal in de greep te raken van zijn vroegere Romanovgekte. Maar hij besluit het toch te doen, want ‘het is tijd voor een afrekening, een vertaling van dromerij in wetenschap. Een laatste saluut’ (blz. 22). Zoals verwacht raakt hij opnieuw in de ban van de tsarenfamilie, hij droomt er ’s nachts van en hij raakt er langzaam maar zeker van overtuigd dat hij zelf een afstammeling is van de laatste tsaar. Zijn fascinatie wordt een obsessie. Des te groter is zijn teleurstelling dan ook als blijkt dat de familielijn die hij via zijn moeder zag lopen van hem zelf naar de tsaar, onmogelijk is. Want zijn moeder bekent hem dat zij zijn moeder niet is. Zijn obsessie draait uit op een deceptie. Maar tevens wordt duidelijk dat ondanks de ontgoocheling dromen het leven wel meer glans geven. Het loopt dan ook niet slecht af met Lex, de dodelijke val van de trap die hij even lijkt te willen maken, maakt hij niet, en kort daarop belt het meisje Loti aan. Als ze samen zwemmen in het zwembad schittert een mooie toekomst hem tegemoet.

Door water (en stilte) omsloten
Het hierboven genoemde zwembad speelt in Russisch blauw een grote rol, al vanaf de eerste pagina. Het ligt in de tuin bij de villa van de ouders van Lex’ jeugdvriend Sweder. Lex verblijft daar tijdelijk om op het huis te passen, en hij is graag in het water van het oude zwembad. Het is voor hem een plaats waar hij zijn ziekte, hemofilie, kan vergeten, een oase van rust: ‘Hij sloot zijn ogen en keerde tot zichzelf in als een scholletje in het zand. Het drijven in dit oude zwembad in deze stille tuin raakte de kern van alle dingen’ (blz. 7). Het is dan ook niet verbazingwekkend dat hij het voelt als een inbreuk, als hij een oorbelletje op de bodem van het bassin vindt dat er eerder nog niet was. Hij vraagt zich af wie er stiekem in het zwembad is geweest. Later blijkt dit Loti geweest te zijn. Zwemmen is voor Lex zo belangrijk, dat hij in grote tweestrijd zou komen te verkeren als hij moest kiezen tussen seks of zwemmen, want ‘Erotiek was geen zwemmen. Zwemmen was wel erotiek’ (blz. 200). Hij denkt terug aan een bijzondere ervaring, waarbij hij naar het midden was gezwommen van een grote, ondiepe bosvijver:

Hij (…) was zich plotseling bewust van het donkere mysterie, het water, waarin hij zou verzinken als hij ophield met zwemmen, maar dat hem nu juist droeg en streelde en inwijdde in een geheim dat op verdrinken leek, maar zonder stikken, en een heftig maar zoet stromen teweegbracht, een vervloeien met het water. (blz. 200)

Het gevoel van door water omsloten te zijn, is voor Lex heel belangrijk, het brengt hem tot rust en het maakt hem sterker en levenslustiger dan hij eigenlijk is. Hij kiest er in de slotscène dan ook niet voor niets voor om naar Loti te zwemmen in plaats van op de vlucht te gaan voor haar.
Water is in andere werken van Peper in meerdere of mindere mate eveneens betekenisvol aanwezig. Al in het titelverhaal van haar debuutbundel, ‘De waterdame’, ligt de kiem voor dit motief. Clara, de grootmoeder van de ik-verteller, noemt zichzelf ‘de waterdame’. In 1927 verdrinkt ze in de vijver van het gesticht waar zij is opgenomen. Ook Terwindus in Verfhuid sterft een verdrinkingsdood. In Dooi speelt water in bevroren vorm een hoofdrol, omdat het hoofdpersoon Ruben afsluit van de bewoonde wereld als hij door de vorst op het IJsselmeer vast komt te zitten met zijn woonboot. In Wie scheep gaat springt het watermotief het meest in het oog.
In deze roman volgen we vijf personages met ieder hun eigen verhaallijn – maar allen hebben ze een relatie met een vermiste vrouw, Hanna, die twee jaar eerder als opvarende van een zeiljacht voor de Marokkaanse kust naar de zeebodem is gezonken. Haar lichaam is nog steeds niet geborgen. De achterblijvers leven verder, in beslag genomen door hun eigen dagdromen, herinneringen en ambities. Het zijn twee ex-vriendjes, Robin en Gerard, een nichtje (Emma) en de vader van Hanna (LeCoultre sr.), die ieder met hun eigen leven door Peper haarscherp worden neergezet. Een vijfde personage, Van Waardenburg, lijkt geen verband te hebben met Hanna en haar verleden, maar speelt door zijn gedrag als insluiper in huizen een belangrijke rol bij het ontdekken van een brief die mogelijk van Hanna is. De verbindende factor in het verhaal is de missie van Robin om Hanna op te duiken. Daardoor komen de personages (opnieuw) met elkaar in contact. Die missie blijkt uiteindelijk niet het gewenste resultaat te hebben, waardoor de gezochte rust (en daarmee de afsluiting van het verleden) nog steeds niet gevonden wordt. De vragen over de ware toedracht rond het zinken van het zeiljacht en het verdrinken van Hanna nemen alleen maar toe. Het centrale thema in deze roman is de vraag hoe goed men een ander eigenlijk kan kennen. Een soortgelijke verdwijning als die van Hanna en eenzelfde thematische vraag speelt overigens al eerder een rol, in de roman Een Spaans hondje, waarin een van de drie broers plotseling verdwijnt, zijn familie achterlatend met veel vragen.

In Wie scheep gaat is water vooral belangrijk als ‘bewegende factor’. Gerard is oceanograaf en bestudeert als zodanig stromingen van oceanen. Hij heeft een groot aantal plastic eendjes uitgezet om te onderzoeken waar de zeestromingen ze heen zullen voeren. Gerards fascinatie strekt zich ook uit tot watertorens (die hij van jongs af aan fotografeert) en de watertanks op de gebouwen in New York. En in hoofdstuk 18 van deel 1 droomt hij dat hij Hanna moet beschermen tegen de overstroming van een watertank. Zij wordt echter meegesleurd door een stroom kolkend water. Niet alleen worden de eendjes door het water meegenomen, maar ook schepen en mensen, onder wie Hanna.
Haar ex-vriend Robin is een fanatiek diepzeeduiker. Hij vat het plan op om naar het scheepswrak te duiken om Hanna’s lichaam te bergen. Dan kan iedereen de draad van het leven weer oppakken. Aan het eind van de roman wordt de lezer aan het twijfelen gebracht of Hanna wel echt verdronken is. Ze blijkt niet in het wrak te liggen, en een geheimzinnige brief met foto die de insluiper Van Waardenburg vindt in het schortje van Emma’s moeder, doet vermoeden dat ze nog leeft. Als dat waar is, zou voor Hanna het water een ontsnapping hebben betekend, een kans om een nieuw leven te beginnen, zoals het zwembad ook voor Lex in Russisch blauw een bevrijdende werking heeft.
Het beeld van omgeven zijn door water roept associaties op met eenzaamheid, een thema dat in bijna al Pepers werk aan bod komt. Vaak is die eenzaamheid door haar personages zelf gekozen, want ze praten zelden met iemand over wat hen bezighoudt of fascineert. De vraag of mensen elkaar eigenlijk wel kunnen kennen, gethematiseerd in Wie scheep gaat, dringt zich in meerdere verhalen aan de lezer op. Eenzaamheid leidt in sommige daarvan zelfs tot een isolement. In Dooi wordt dat isolement verbeeld door een onontkoombare omringing door (bevroren) water. Een ander motief dat Peper hanteert om die eenzaamheid te onderstrepen is dat van de stilte. Soms in combinatie met water, zoals in Russisch blauw, waar ze het zwembad in een stille tuin plaatst (zie bovengenoemd citaat van bladzijde 7). En op de slotpagina’s verbindt ze water en stilte:

Het water rondom hem zette uit in eindeloos repeterende kringen en schitteringen, zo ver je zien kon. Het gedempte verkeersgeruis achter de wal werd tot het geluid van de branding aan een stil strand of eerder nog: het suizen van de stilte zelf, zoals iemand die heel ver van de bewoonde wereld geraakt is dat kan horen. (blz. 259)

In Oesters is water weliswaar nog niet zo betekenisvol aanwezig (alleen in de vorm van de zee als rustpunt), maar stilte speelt ook in dit verhaal al een rol. Net als in Dooi wordt stilte daarin gebruikt om het alleenzijn van een personage te onderstrepen. De hoofdpersoon van Dooi, Ruben Saarloos, heeft vooral moeite met de avonden, want de radio is kapot, televisie kan hij niet ontvangen en telefoneren doet hij nauwelijks: ‘Hoe groter de eenzaamheid, hoe moeilijker die te doorbreken leek’ (blz. 27).

Eenlingen versus de rest
Eenzaamheid is kenmerkend voor meerdere personages, en is in het bijzonder typerend voor de eenling, die in Pepers werk regelmatig terugkeert. Ruben Saarloos uit Dooi is daar een voorbeeld van. Afgezien van het feit dat hij ingesloten is door ijs en daardoor tijdelijk afgesloten van de buitenwereld, heeft hij sowieso een solitair bestaan. Hij woont op een woonboot – omringd door water – en is vertaler van beroep, werk waarvoor hij in zijn eentje thuis achter de computer zit. Hij is een mopperaar, bijvoorbeeld op de uitgeverswereld waarmee hij te maken heeft. Hij is een beetje gedesillusioneerd en leidt een teruggetrokken bestaan, zoals Peper zelf zegt tegen Coen Peppelenbos. En ze voegt daaraan toe:

Dat gaat wel op voor veel van mijn personages. Mensen die de realiteit maar amper aankunnen, vasthouden aan een droom of obsessie of fantasieën, die het hen mogelijk maakt een eigen leven te leiden buiten de realiteit. (Tzum 2, 1999)

Door hun obsessies of passie leiden de personages een niet alledaags leven en worden zij niet altijd goed begrepen door hun omgeving. Dat geldt eveneens, in hoge mate, voor de hoofdpersoon van Verfhuid. De kunstminnaar Terwindus is een van de duidelijkste voorbeelden van de eenling in Pepers werk. In Verfhuid volgen we kunsthandelaar Arnold Kee, die gefascineerd raakt door een van zijn klanten, de excentrieke einzelgänger Terwindus, fanatiek verzamelaar van Duitse romantische schilderijen. In het begin is er weinig contact tussen beide mannen. Terwindus’ collectie lijkt ontoegankelijk voor Arnold, maar dan wordt hij op een dag uitgenodigd om bij Terwindus thuis te komen en zijn schilderijen te bekijken.
Peper weet de spanning er vanaf dat moment goed in te houden. Arnold ziet namelijk per ongeluk een schilderij staan dat gestolen blijkt te zijn. Dan komen hem ook de verdachtmakingen van collega-kunsthandelaren aan het adres van Terwindus ter ore, en ontstaan er toch twijfels over diens collectie. De reden van Terwindus’ uitnodiging aan Arnold was zijn drang om zijn passie voor een heel bijzonder schilderij van Friedrich met iemand te delen. In een zeldzame bui van openhartigheid geeft hij zijn geheime liefde voor dit doek prijs. Arnold Kee is naar verwachting erg onder de indruk van de Friedrich. Hij weet Terwindus over te halen het voor een tentoonstelling in bruikleen te geven aan een Duits museum. Hoe groot Terwindus’ passie voor dit kunstwerk is, maakt Peper pas echt duidelijk met haar beschrijvingen van het nerveuze gedrag van de man op het moment dat zijn schilderij niet meer in zijn directe blikveld is. Ze maakt gebruik van contrastwerking: aan de ene kant de nogal gesloten en afstandelijke persoonlijkheid van Terwindus, aan de andere kant de passie en hartstocht waarvan de door hem beminde Hoogduitse romantische stroming in de schilderkunst overvloeit.
Het verhaal bereikt een hoogtepunt op het moment dat een waanzinnige tijdens de tentoonstelling het schilderij met een mes vernielt. Een drama voor Terwindus, dat hij dan ook niet kan verwerken. Hij wikkelt zich in het gehavende doek en pleegt zelfmoord door in de gracht te springen. Peper zoomt vervolgens in op Arnold Kee, die zijn eigen ontwikkeling doormaakt. Hij krijgt problemen in de relatie met zijn jongere vriend en worstelt met zijn kinderwens. De problemen worden indirect veroorzaakt door zijn obsessionele interesse in Terwindus en zijn collectie, waardoor hij depressief raakt en zichzelf verliest. Hij wordt beheerst door hebzucht en raakt net als Terwindus volledig in de ban van een schilderij, de Hirtenknabe, dat hij op een oneerlijke manier de weduwe van Terwindus afhandig heeft gemaakt. Peper geeft Kee geen mogelijkheid aan zijn obsessie te ontsnappen, en eindigt het verhaal als hij alleen en eenzaam is.

Door zijn passie leidt de eenling Terwindus een haast ascetisch leven. Zijn liefde voor het schilderij van Friedrich staat een gewone relatie in de weg, want zijn vrouw verlaat hem. Ze zijn nog wel getrouwd, maar leiden een gescheiden leven, ieder op een eigen etage van het huis. Zijn passie is kennelijk zo groot, dat het voor hem ondenkbaar is om zonder het doek verder te leven, en hij zelfmoord pleegt. Arnold Kee lijkt in de voetsporen van Terwindus te treden op het pad der eenlingen versus de rest. De relatie met zijn jongere vriend zet hij op het spel, en het liefste wat hij doet is zich in zijn eentje terugtrekken met het schilderij van de Hirtenknabe: ‘Maar hij bleef zitten, stak zijn hand uit en streek over de verfhuid van de Hirtenknabe, terwijl het heet werd achter zijn ogen en de liggende jongen wazig vervormd raakte’ (blz. 144).
De thematiek van de eenling versus de rest is al aanwezig in het verhaal ‘De waterdame’, waarin Clara de rol heeft van een bijzondere eenling. Net als Terwindus ontsnapt zij ‘aan de rest’ door zich te verdrinken. Peper laat haar personages regelmatig kiezen voor een soort ontsnapping aan het bestaan, hetzij door een verdwijning, hetzij door zelfmoord of de dood. Sommige personages laat zij kiezen voor een ander leven, zoals Victor, een van de broers in Een Spaans hondje. Hij verdwijnt zonder een bericht achter te laten naar Spanje, om een oude monnik in een klein dorpje te helpen met de bouw van een ongelooflijke kathedraal. Mogelijk heeft ze ook Hanna uit Wie scheep gaat deze uitweg naar een nieuw leven gegeven, hoewel dit niet met zekerheid te zeggen is. Hanna kan ook verdronken zijn, zoals iedereen aanneemt. De enige voor wie geen enkele ontsnapping weggelegd lijkt, is Arnold Kee in Verfhuid.
Het is opvallend hoe vaak de ontsnapping samengaat met de dood. Naast Victor en mogelijk Hanna vormt Lex uit Russisch blauw hierop een uitzondering, hoewel Peper hem ook nog even met de gedachte aan een zelfmoord laat spelen. Ruben Saarloos krijgt in Dooi alleen maar een ingebeeld bezoek van de Dood, en berust in de gedachte dat de schaatster Bente, op wie hij verliefd is geworden, niet meer leeft. Hoewel niet in alle boeken de dood als ontsnapping voor de eenling een rol speelt, zien we wel de dood in elke roman opduiken. In Russisch blauw in de vorm van de moord op de tsarenfamilie, in Een Spaans hondje is het het overlijden van de moeder van de drie broers, in Dooi zoals gezegd de dood van de schaatster, en in Oesters de dood van Frank, de veertig jaar oudere minnaar van de hoofdpersoon. Daarnaast maakt Peper veelvuldig gebruik van symbolen die te maken hebben met de dood, zoals kraaien, dode konijnen en een spookschip in Dooi, kraaien in Oesters, dode vissen in Rico’s vleugels, begraafplaatsen in Wie scheep gaat en Een Spaans hondje en poppendoodskistjes in het verhaal ‘Van het vuil op het hemd van een Montanari’.

Pepers wereldbeeld
Het oeuvre van Rascha Peper laat een grote samenhang zien in inhoud en thematiek, hoe gevarieerd de plots van haar verhalen ook zijn. Haar werk vormt een eenheid, wellicht met uitzondering van haar debuutroman Oesters en eerste verhalenbundel, waarin zij nog niet voor het mannelijke perspectief heeft gekozen. Maar zelfs in een vroeg verhaal als ‘De waterdame’ uit de gelijknamige debuutbundel, zijn al veel van de latere thema’s en motieven aanwezig. En de vraag die Peper in haar werk opwerpt – hoe goed of slecht kennen mensen elkaar – kan na lezing van de verhalen niet anders beantwoord worden dan met ‘slecht’. Deze centrale vraag wordt telkens ondersteund door de thematisering van eenzaamheid, de dood en de eenling versus de rest, thema’s die versterkt worden door de steeds terugkerende motieven van water en stilte.
Haar personages kennen overigens niet alleen de ander slecht, maar ook zichzelf. Dat heeft alles te maken met de overvleugeling van hun ratio door een passie. Want over haar personages kan veel gezegd worden, niet dat ze saai zijn. De personages laten zich allemaal gaan en ‘ze kunnen dromen en werkelijkheid niet meer van elkaar onderscheiden, en gaan daardoor onherroepelijk onderuit’, aldus Peper tegen Judith Koelemeijer (de Volkskrant, 8 augustus 1997). Het is knap hoe Peper de gevoelens en obsessies van de personages met weinig woorden geloofwaardig en voorstelbaar weet te maken, en hoe daarbij haar schrijfstijl zo eenvoudig, laconiek en onnadrukkelijk mogelijk lijkt. Juist doordat zij de levens en vooral de passies van haar personages zo voorstelbaar maakt, zou de onalledaagsheid ervan je als lezer bijna ontgaan.
Pepers romans lijken op het eerste gezicht een pleidooi voor een groots en meeslepend leven te zijn, maar passies of fascinaties leiden geregeld tot deceptie, eenzaamheid of zelfs de dood. Vooral in haar recentste boek, Verfhuid, lijkt de boodschap te zijn dat (in extreme mate) gepassioneerd zijn niet zonder nadelige gevolgen kan blijven. Uit Pepers werk spreekt de overtuiging dat mensen die gedreven worden door een passie, net als de badeendjes uit Wie scheep gaat, op een soort stroom zitten en geen eigen wil meer hebben. Of dat ze, zoals Peper in Russisch blauw schrijft, ‘als een bewusteloze zwemmer overgeleverd aan stroming en tij’ zijn (blz. 222). Eenmaal bevangen door een passie kunnen ze niet meer ingrijpen. Ze kunnen niet alleen de realiteit maar amper aan, ze kunnen ook geen invloed meer op hun eigen leven uitoefenen, oftewel de stroom van passionele emoties van koers doen veranderen. De enige keuze die ze uiteindelijk dan nog (denken te) hebben is sterven of verdwijnen.

Bibliografie

Besproken boeken
Russisch blauw. Amsterdam: L.J. Veen, 1995. Citaten zijn ontleend aan de derde druk.
Rico’s vleugels. Amsterdam: L.J. Veen, 1993. Citaten zijn ontleend aan de zevende druk, 1996.
Alle verhalen. Amsterdam: L.J. Veen, 1997.
Wie scheep gaat. Amsterdam: L.J. Veen, 2003.
Verfhuid. Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2005.
Vingers van marsepein. Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2008.

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Rascha-PeperGebruikte literatuur
Judith Koelemeijer, ‘Niet huilen achter de tikmachine’. In: de Volkskrant, 8 augustus 1997.
Coen Peppelenbos, ‘Oh god, het is toch geen magisch-realisme’. In: Tzum 2, (1999) 7 (www.coenp.concepts-ict.nl/peperi.htm).
Machteld Stilting, ‘Ik voel weerzin tegen typisch vrouwelijke onderwerpen’. In: Boek, nr. 2, jaargang 5, oktober/november 2005.
Gerrit Komrij, ‘Reputaties’. In: Vrij Nederland, 5 november 2005.

Interviews en recensies uit dag- en weekbladen zijn te vinden in het bestand LiteRom, uittreksels van enkele van de besproken boeken zijn te vinden in het bestand Uittrekselbank. Beide bestanden zijn in de openbare bibliotheek aanwezig.

Share