Gesprek met Rascha Peper: ‘De dood is wel iets wat me aanspreekt’

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Rascha-Peper‘De dood is wel iets wat me aanspreekt’

Er zijn enkele zaken die in het oog springen in het oeuvre van Rascha Peper (59). Dat zijn haar keuze voor het mannelijke perspectief, de passie van haar personages, niet zelden gericht op te verzamelen objecten, het motief water, en het feit dat haar personages vaak eenlingen zijn. De meeste van deze elementen zijn terug te vinden in haar nieuwe boek Vingers van marsepein, een roman over de wetenschapper Ruysch, die in de achttiende eeuw wereldfaam kende vanwege zijn levensechte manier van prepareren. Het is haar tiende titel sinds zij in 1990 debuteerde met de verhalenbundel De waterdame.

In haar sfeervolle appartement met uitzicht op de Amstel wil Rascha Peper eerst graag weten wat ik vind van de afbeelding op het omslag van haar nieuwe boek van een van de preparaten van Frederik Ruysch: een kinderarmpje gestoken in een kanten mouwtje dat tussen de vingers een draadje vasthoudt met daaraan kunstig uitgesneden oogleden. Haar uitgever had dat ‘vieze flubbertje’ weggehaald omdat dit commercieel gezien glad ijs is. Peper is daar lichtelijk onthutst over.
Ook over de titel die ze oorspronkelijk gekozen had was men bij de uitgeverij niet meteen te spreken: “Ik had eerst iets met dood in de titel maar dat hebben ze me ten zeerste afgeraden. Het duurde heel lang voordat ik op de uiteindelijke, een beetje vrolijke, zoete titel kwam. Aanvankelijk was het De roze vingers van de dood. Ik zat dus al aan die vingers te denken want veel van Ruysch’ preparaten zijn ook handjes.”
Luuc Kooijmans’ biografie van Frederik Ruysch, De doodskunstenaar (2004), is een belangrijke bron geweest voor het verhaal. Maar Pepers interesse gaat veel verder terug. “Ik geloof dat het al zo’n tien jaar geleden was dat ik voor het eerst over Ruysch hoorde, toen las ik ergens een artikel over die preparaten. Ik vind het mooi dat iemand zijn hele leven kan wijden aan het zo mooi mogelijk maken van kinderen, mensen en ook dieren of stukken daarvan. Het ontrukken aan de dood en ze eeuwigheid geven in zo’n fles. Ik heb wel een beetje die morbide interesse. De dood is wel iets wat me aanspreekt. Het hele boek is eigenlijk voortgekomen uit een soort van ontroering, zo mag je het rustig noemen. Ontroering dat iemand zo veel moeite altijd deed om menselijke delen zo keurig uit te snijden, te prepareren, te kleuren, aan te kleden, ze weer iets in handen te geven, want dat is heel kenmerkend voor zijn werk. Hij maakte de dood eigenlijk mooi.”

Door kinderogen
Vingers van marsepein bestaat uit twee verhalen die elkaar in elk hoofdstuk afwisselen. De ene verhaallijn is hedendaags, de andere speelt in de achttiende eeuw. “Mijn uitgangspunt was om twee kinderen te portretteren die allebei door de collectie Ruysch gegrepen worden, want ik vond het mooi om een tienjarig kind, Bregtje, als hoofdpersoon te nemen. Hoe kijkt zo’n kind naar alles in zo’n huis dat zo op de dood en de vergankelijkheid, en het juist ontrukken aan de vergankelijkheid, gericht is. Bregtjes tegenhanger is Ben die op dezelfde gracht woont aan de overkant, maar dan zo’n 300 jaar later, en als modern kind nog zeer onder de indruk is van die collectie als hij die in Sint Petersburg ziet.”
Peper heeft de twee verhalen, die ieder een afgerond geheel vormen, los van elkaar geschreven – eerst dat van Bregtje en daarna dat van Ben – en later in elkaar gepast. “Die collectie stond voor mij centraal. Daar zijn twee kinderen bij gecreëerd die ongeveer in dezelfde situaties komen. Ik heb pas later het deel van Ben in stukjes gehakt, en uiteraard ook het eerste deel, en die met elkaar vervlochten. En natuurlijk is het dan zo dat je bij het een of het ander wat toevoegt of weghaalt.”
De twee verhalen vertonen parallellen, bewust dan wel onbewust ontstaan: “Het is heel moeilijk om te beredeneren hoe dat gaat. Je zit als uitgangspunt in je hoofd met zo’n meisje van 300 jaar geleden dat zich in zo’n preparatenwereld moet bewegen. En dan groeit dat jongetje als haar tegenhanger met natuurlijk allerlei parallellen aan haar leven. Dat valt je dan in. Dat Bens zusje dood is, heb ik er wel duidelijk ingestopt omdat Bregtje ook een dood broertje heeft.”
In het verhaal van Bregtje kwam al een beer voor toen de schrijfster tijdens een bezoek aan Sint Petersburg toevallig op straat een beertje zag dat ze goed kon gebruiken in Bens verhaal. Een duidelijke parallel is ook de neushoorn. “Bregtje krijgt een bijzondere verhouding met een neushoorn die Ruysch prepareert, ze vertrouwt hem dingen toe en sluit vriendschap met hem. Het jongetje krijgt een neushoornkompasje dat een soort talisman wordt die hem redt van een echte neushoorn in de dierentuin die hem wil aanvallen. Een andere parallel is de geest van Bregtje die in het hedendaagse verhaal terugkomt in het meisje met de blauwe sjaal. Ben en Bregtje moeten ook beiden iets heel gevaarlijks doen waar ze hun flinkheid mee moeten bewijzen. Het zijn allebei kinderen die tegen de volwassenen moeten opboksen, bij wie het niet allemaal van een leien dakje gaat, die dingen moeten doen die voor kinderen heel moeilijk zijn.”
Door de hoofdpersoon Bregtje ligt een van de perspectieven in Vingers van marsepein bij een meisje. Sinds haar eerste roman, Oesters, heeft een vrouwelijke blik niet meer zoveel ruimte gehad in Pepers oeuvre. Zij ziet dit wel als een ontwikkeling in haar werk: “Ja, ik doe wel moeite om er wat meer vrouwelijke personages in te krijgen. In dit geval kwam het heel mooi uit, want literatuur moet het ook vaak van de contrasten hebben, dus zo’n klein, tienjarig, vrolijk meisje in contrast met die wat lugubere omgeving van die Ruysch werkt goed. Toen ik had bedacht dat het niet Ruysch zelf moest zijn die ik als hoofdpersoon wilde, maar iemand bij hem in huis, met kinderlijke ogen, werd het dit bijdehante, brutale, levendige meisje. Het heeft ook met schrijfplezier te maken, want ik vind het leuk om over zo’n meisje te schrijven en me in zo’n kinderlijke visie te verplaatsen.”

Een hogere macht
In een eerder interview heeft Peper eens gezegd: “Ik kan geen zielsverbondenheid voelen met iemand die zich overlevert aan een hogere macht”. Maar eigenlijk doen haar personages dat allemaal wel: “Ja, maar niet aan een god. Wel aan een hogere macht als kunst of een andere passie. Ik ben er heel erg van doordrongen dat wij in deze wereld gewoon onbeschermd zijn en er is niemand die iets voor ons oplost, er is niemand die een bestemming voor ons heeft uitgestippeld en daar moet je het maar mee doen als mens. Dat vergt een zekere flinkheid waar je mee in het leven moet staan. Ik ben me er dus altijd erg van bewust dat je geen houvast hebt. Het kan best zijn dat ik daarom mijn personages een ander houvast geef in het leven, in de vorm van zo’n passie. Zodat ze een eigen wereld kunnen creëren in deze boze, koude wereld. Zo werken verzamelingen ook vaak. Je hebt op je eigen leven zo weinig grip, maar als je nou maar één afgebakend terrein hebt, die verzameling waar je altijd mee aan het rommelen bent – wel in de wetenschap dat het nooit vervolmaakt kan worden – dan ben je als het ware heerser over dat domein.”
Terwijl juist haar personages die zo’n enorme passie voor iets hebben, de grip op hun eigen leven helemaal verliezen. “Ja”, geeft Peper toe, “want zo’n passie gaat dan weer ten koste van hun sociale contacten. Daarom gaat het vaak mis. Veel personages ontvluchten aan hun bestaan, door te verdwijnen of voor de dood te kiezen. Verdronkenen komen regelmatig voor in mijn werk doordat ik nogal op water gericht ben. Dat klinkt wel wat erg somber, maar water is net zo goed de bron van het mooie, van het geheimzinnige, van het kleurige, als van het gevaar, de dood, het verloren raken en niet meer gevonden worden.”
“Als je alles onder één noemer zou moeten vangen, denk ik dat mijn centrale thema verlangen is: het hunkeren naar iets dat je niet kunt krijgen,” zegt Peper over haar inmiddels redelijk omvangrijke oeuvre. “Een vrij romantisch thema maar dan een beetje verkapt. Ik ben nooit zo uitbundig romantisch, ik probeer er altijd een nuchtere, lichtvoetige kant tegenover te zetten om het allemaal niet te zwaar te maken. Maar het centrale thema is toch wel streven naar datgene dat je niet kunt krijgen. Dat is het meest zichtbaar in Rico’s vleugels. Het verzamelen is in die roman een sublimatie voor wat de verzamelaar eigenlijk zou willen maar wat niet gewenst is, niet toegestaan. Het is ook wel een van de boeken waarin het meest uitgesproken de schoonheid voorkomt van het je zo totaal met huid en haar durven overleveren aan een bevlogenheid voor iets. Dat vind ik iets moois, die durf, die bereidheid om dat te doen. Je zo laten meeslepen door zo’n passie ook al voel je wel dat het fataal zal eindigen.”
Van deze roman zijn eind 2007 de filmrechten door Jeroen Krabbé in optie genomen. Peper voelt echter niet de behoefte zich te gaan bemoeien met de film. “Absoluut niet. Ik denk dat ik me dan ook blauw ga ergeren aan dingen die niet goed gaan en dat moet ik helemaal niet doen. Het is natuurlijk een precair onderwerp, zo’n oude man die op een jongen valt, dat kan een draak van een film worden. Maar ik heb goede gesprekken gehad en er wel vertrouwen in. Ik ben ook helemaal geen expert op dat gebied en zij wel.”

Recensenten
Peper houdt zich graag afzijdig en ze weet dat ze mede daardoor bekend staat als ietwat keurig. “Ik realiseer me dat je als schrijver natuurlijk een pre hebt als je iets geks doet of een grote bek hebt, maar wat dat betreft ben ik nogal teruggetrokken. Ik schrik er inderdaad een beetje voor terug om provocerend te zijn maar ook om mijn eigen boeken te promoten. Dat vind ik heel erg moeilijk.” Dat komt niet voort uit onzekerheid over de kwaliteit van haar werk. “Het is meer dat ik een hekel heb aan mensen die zo ‘ikkerig’ doen en zichzelf zo vreselijk belangrijk vinden.” Toch realiseert Peper zich dat haar laconieke houding ook in haar nadeel werkt: “Ik heb geen vriendjes onder recensenten, die ontmoet ik ook nooit. Wat dat betreft ben ik afzijdig en heb daar dan ook de nadelen van. De manier waarop bijvoorbeeld Verfhuid is weggezet door recensenten. Daar kan ik vreselijk kwaad over worden en dan heb ik heel erg de pest in, want dat hangt ook wel samen met die teruggetrokken houding. Ik denk dat ik wat te makkelijk als een schrijfster aan de zijlijn behandeld wordt. Dat ergert me wel eens. Misschien moet ik maar eens een tijdschrift beginnen”, lacht ze.
“Maar wat lezers betreft heb ik niks te klagen, ik heb een heel mooi lezerspubliek waaronder ook veel leesgroepen. Die komen tijdens lezingen vaak naar me toe. Lezers pikken er ook altijd veel beter dan recensenten de dingen uit waar je zelf heel erg over te spreken bent.”
banner-Schrijversdossier-terug-naar-Rascha-PeperGehouden op 15 november 2007

Dit interview is eerder verschenen in het blad boek-delen (nummer 1, maart 2008)

Share