|
Simone de Beauvoir
Haar leven
Simone werd op 9 januari 1908 in Parijs geboren, het eerste kind van het echtpaar Bertrand de Beauvoir, zoals de naam voluit luidde. Het gezin was met zijn eeuwenoude afstamming misschien wel deftig, maar beslist niet rijk. Vader George was een gezellige vader, die met zijn baby speelde en liedjes zong. Moeder Françoise daarentegen begon nog voor Simone twee was met geloofsonderricht. Elke dondermiddag stond er een bezoek aan opa en oma De Beauvoir op het programma, waar Simone doodstil op een stoel moest zitten en hooguit af en toe iets mocht fluisteren. Met haar roodbruine haar en haar grote blauwe 'De Beauvoir-ogen' was Simone een opvallend kind dat bij haar ouders geen kwaad kon doen. Toen ze tweeënhalf was kreeg ze een zusje, Hélène. In tegenstelling tot de zelfstandige Simone hing Hélène de hele dag aan haar moeders rokken. Maar de zusjes konden goed met elkaar opschieten.
Het familiegeluk begon af te brokkelen toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Financieel kwam het gezin er nog slechter voor te staan, hoezeer haar ouders ook hun best deden om de schone schijn op te houden. Op een dag zei haar vader tegen de twee zusjes: "Jullie zullen nooit trouwen, want jullie hebben geen bruidsschat". Simone begreep niet waarom iedereen hier zo verdrietig van werd; zijzelf vond het niet erg want het betekende dat ze een beroepsopleiding zou moeten volgen. Geen vriendinnen, thuis een kille sfeer, altijd slecht zittende kleren en geen begrijpende volwassenen in je omgeving, hoe houd je dat uit? Voor Simone was er maar één oplossing: leren. In 1924 haalde Simone haar eindexamen.
Na een aantal jaren kloosterschool, mocht Simone uiteindelijk filosofie gaan studeren aan de Parijse universiteit de Sorbonne. Ze leerde er Jean-Paul Sartre kennen, een superintelligente medestudent. Vanaf dat moment waren ze onafscheidelijk, de kleine, lelijke Sartre en de robuuste schoonheid Simone. Maar hun relatie was niet echt alledaags. Het was een samengaan van twee tegenpolen. Simone had haar leven lang haast gehad om op te groeien en bij de wereld van de volwassenen te horen. Sartre had nooit willen opgroeien. Sartre gaf Simone iets dat ze nog nooit van iemand had gekregen, onverdeelde aandacht. Terwijl Simone volledig kon opgaan in zichzelf, was Sartre juist anders. Hij zei van zichzelf: "Ik had geen belangstelling voor mezelf, ik was nieuwsgierig naar ideeën, de wereld en het hart van andere mensen". Het meest beroemde literaire stel van deze eeuw werd vooral intellectueel sterk tot elkaar aangetrokken. Zij stonden aan de grondvesten van de stroming het literaire existentialisme.
Haar schrijverschap
Sartre vond van het begin af aan dat Simone schrijfster moest worden, maar zij was verlamd van onzekerheid en kreeg nooit de eerste bladzijde af. Pas vele jaren later in 1938 lukte het haar om werkelijk aan een boek Uitgenodigd te beginnen, waarin zij zelf model stond voor de hoofdpersoon. Zij zei: "Literatuur wordt geboren als er in het leven iets misloopt". Sartre en zij waren namelijk van elkaar gescheiden, doordat hij naar het front moest, nadat Hitler Polen was binnengevallen. Simone trok van het ene hotel naar het andere en in de winter van `40-'41 schreef zij twee filosofische verhandelingen, een roman en een toneelstuk, terwijl Sartre intussen overgebracht werd naar een kamp voor krijgsgevangen waar hij kon schrijven. Tegen het einde van de oorlog ging Simone haar energie steeds meer richten op zichzelf en op haar werk. Haar schrijverschap heeft zijn aanvang genomen. In 1954 krijgt zij de Prix de Goncourt voor haar boek De mandarijnen.
Tot aan de dood van Sartre in 1980 blijft zij zijn levenspartner, ondanks kort- of langdurige relaties tussendoor met andere mannen. Zij overlijdt in 1986.
Een keuze uit haar literaire, vertaalde werk:
Uitgenodigd, 1943 (roman)
Bloed van anderen, 1945 (roman)
Alle mensen zijn sterfelijk, 1945 (roman)
De tweede sekse, 1949 (essay)
De mandarijnen, 1954 (roman)
Een zachte dood, 1964 (novelle)
Een wereld van mooie plaatjes, 1966 (roman)
De gebroken vrouw, 1967 (novelle)
Met kramp in de ziel, 1979 (roman)
|