|
Claude Monet in City
Monets Nymphéas
In: Alessandro Baricco, City, pagina 104-105
"Monet had het niets nodig, zodat zijn schilderkunst vrij zou zijn om, bij het ontbreken van een onderwerp, zichzelf af te beelden. In tegenstelling tot wat een argeloze toeschouwer zou kunnen suggereren, zijn de Nymphéas geen voorstellingen van waterlelies, maar van de blik die naar ze kijkt. De lelies vormen de afdruk van een bepaald waarnemingsstelsel. Om precies te zijn: van een duizelingwekkend afwijkend waarnemingsstelsel. Andere collega's die beslist gezaghebbender zijn dan ik - sprak prof. Mondrian Kilroy met misselijkmakende valse bescheidenheid - hebben reeds onthuld dat de Nymphéas geen coördinaten hebben, dat wil zeggen dat ze lijken rond te drijven in een ruimte zonder hiërarchieën waarin dichtbij en ver weg, boven en onder, vroeger en later niet bestaan. Technisch gesproken zijn ze de blik van een oog dat niet kan bestaan. Het gezichtspunt van waaruit ze gezien worden bevindt zich niet aan de rand van de vijver, niet in de lucht, niet vlak boven het water, niet van veraf, niet van dichtbij. Het is overal. Misschien zou een astigmatische god ze zo kunnen zien - mocht prof. Mondrian Kilroy graag opmerken. Hij zei altijd: de Nymphéas zijn het niets gezien door de ogen van niemand.
Zo komt het dat kijken naar de Nymphêas betekent kijken naar een blik - zei hij - en dan nog een blik die niet te herleiden is tot iets wat we al eens eerder ervaren hebben, maar een unieke, niet te herhalen blik, een blik die nooit de onze zou kunnen zijn. Met andere woorden: kijken naar de Nymphêas is een uiterste ervaring, een vrijwel onmogelijke opdracht. Dat feit kon Monet niet ontgaan zijn, in de lange periode waarin hij met maniakale pietluttigheid bezorgd bezig was een bijzondere rangschikking van de Nymphéas te bestuderen die de niet-zienbaarheid ervan tot het uiterste reduceerde. Wat hij uiteindelijk bedacht was een elementair, op zich onschuldig slimmigheidje dat ook vandaag de dag nog een zekere doeltreffendheid toont en dat tot irrelevant logisch gevolg had dat die waterlelies de studieradius van prof. Mondrian Kilroy binnenglipten. Monet wilde dat de Nymphéas werden opgesteld - precies in volgorde - op acht gebogen wanden.
(…) Het was dus met tintelende voldoening dat prof. Mondrian Kilroy zich op dat moment gerechtigd voelde om dia nr. 421 te projecteren, met een afbeelding van de twee zalen van de Orangerie in Parijs waar de Nymphéas van Monet in januari 1927 werden opgesteld, en waar bet publiek ook vandaag de dag nog de kans krijgt ze te zien, voorzover zien niet een volkomen ongeschikte term is voor de onmogelijke bezigheid van ernaar te kijken."
|