Adriaan van Dis
Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen. Zijn vader was een blanke ex-militair uit het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger (KNIL), zijn moeder een Nederlandse vrouw die uit een eerder huwelijk met een Indische man drie dochters had. De naam Van Dis is de naam van zijn moeder. Toen Adriaan drie maanden oud was, verhuisde het gezin naar een groot huis in Bergen aan Zee waar nog meer Nederlands-Indische families woonden. In deze vrij geïsoleerde gemeenschap speelde Indië een belangrijke rol en waren er weinig contacten met Nederlanders. De blanke Adriaan die Indië niet kende, was in dit milieu een buitenstaander die door zijn vader streng werd opgevoed en niet met kinderen mocht omgaan die van 'lagere' afkomst waren. De oorlogsherinneringen van zijn vader die als gevangene van de Japanners aan de Sumatra-spoorweg had gewerkt, speelden in het gezin ook een belangrijke rol. Toen hij elf jaar oud was, verloor Van Dis zijn vader, een gebeurtenis die hem ondanks de gecompliceerde relatie diep raakte en een moeilijke periode met slechte schoolprestaties inluidde. In het gezin werd toen drastisch gebroken met het Indische leven dat men al die jaren ook in Nederland nog had geleid:

Na de dood van mijn vader is Indië het huis uitgegaan. De rijst verdween, de aardappelen kwamen ervoor in de plaats.
Adriaan van Dis

Na het afronden van zijn HBS-opleiding in Hilversum in 1967, volgde hij in Amsterdam de MO- opleiding Nederlands. Hij haalde zijn MO-A-akte en vertrok in maart 1969 voor een reis 'richting India'. In november van hetzelfde jaar keerde hij terug, na niet in India maar wel in Afghanistan te zijn geweest. Vervolgens voltooide hij zijn MO-opleiding en ging Zuid-Afrikaans studeren. Vanaf 1974 schreef hij tevens regelmatig voor NRC Handelsblad. In 1978 studeerde hij af op een scriptie over een boek van Breyten Breytenbach, een auteur die hij als voorbeeld beschouwde en wiens werk hij later ook zou vertalen. Na zijn afstuderen was hij tot 1982 aan NRC Handelsblad verbonden als chef van het zaterdags bijvoegsel. Op 16 maart 1983 presenteerde hij voor de eerste keer het televisieprogramma Hier is... Adriaan van Dis waarmee hij landelijke bekendheid kreeg. In 1986 kreeg hij voor dit programma waarin hij uitgebreide en soms opschudding veroorzakende gesprekken met schrijvers voerde, de Nipkowschijf voor het beste televisieprogramma. Daarna heeft hij zich een tijd geheel aan het schrijven gewijd, totdat hij van 1999 tot 2002 het programma Zomergasten van de VPRO presenteerde. In dit zomerprogramma mag een bekende Nederlander een drie uur durende televisieavond samenstellen, en gaat daarover in gesprek met de presentator. In 2003 verhuist Van Dis naar Parijs. Naar aanleiding daarvan verschijnt in 2004 een boekenweekessay van zijn hand, Onder het zink. Ook uit zijn roman De wandelaar (2007) is zijn verblijf in de Franse hoofdstad op te maken.

Ik voel het als een sensatie om op de scherpte van het mes te wandelen, me in donkere holen te begeven, met boeven om te gaan. Maar de meeste avonturen spelen zich in m'n geest af.
(Trouw, 1-9-1986)

Selectie uit zijn bibliografie

1984, Nathan Sid (novelle)
1986, Casablanca (verhalen)
1987, Een barbaar in China (reisverslag)
1988 Zilver, of het verlies van de onschuld (roman)
1990 Het beloofde land: een reis door de Karoo (reisverslag)
1991 In Afrika (reisverslag)
1992 Waar twee olifanten vechten: Mozambique in oorlog (reisverhalen). Deels eerder gepubliceerd in In Afrika
1993 Classics (verhalen)
1994 Indische duinen (roman)
1996 Palmwijn (boekenweekgeschenk)
1998 Totok (poëzie)
1999 Dubbelliefde
2002 Familieziek
2004 Onder het zink (boekenweekessay)
2007 De wandelaar
2007 Leeftocht

Mandmensen, ik wist niet eens dat ze bestonden. Het waren soldaten die al hun ledematen hadden verloren, mannen die hun verdere leven verborgen voor de ogen van de wereld in een mand moesten hangen. De oorlog had ze voor altijd onschuldig gemaakt. En ik zag mezelf al bungelen, gevoerd, gewiegd en altijd mijn zin. Maar ook, nooit meer Eskimo op het strand en voor altijd de gevangene van mijn vaders ogen.
Indische duinen, p. 238-239


Over de toonbank springen en een warme broek voor de winter van de plank grissen omdat de verkoopster te sloom is een hand uit te steken of met de vuist op een raam bonzen omdat de kaartjesverkoopster eerst haar stripboek moet uitlezen, och, dat hoort zo bij de dagelijkse ergernissen van de Chinareiziger. Je verliest weleens je geduld in dit land van telraamschuivers, boninvullers en sipkijkers. Want lachen doen ze nooit, de mannen en vrouwen achter balie of loket. Ze kijken alsof er meteen na hun geboorte iemand op hun neus is gaan staan en er sinds die misstap geen lach meer af kan.
Een barbaar in China, p. 57