Marga Minco
Marga Minco werd als Sara Menco geboren op 31 maart 1920 in Ginneken; zij groeide op in het nabijgelegen Breda, waarheen de familie was verhuisd.
Haar vader, Salomon Menco, kwam uit een streng joods orthodox gezin. Hij werd vertegenwoordiger; in de joodse kring genoot hij aanzien als parnas (kerkvoogd). De vader was een vroom man, die eraan hechtte dat ook in het gezinsleven de joodse wetten en rituele gebruiken werden gehandhaafd.
De moeder, Grietje van Hoorn uit 't Zand, was opgeleid tot onderwijzeres; zij respecteerde de principes van haar echtgenoot maar had voor zichzelf en in de opvoeding van de kinderen liberaler opvattingen.
Uit het huwelijk worden drie kinderen geboren: David (Dave), Bettie en Sara. Sara wordt door haar moeder Selma genoemd.
Na de lagere school en de Nutsschool voor Meisjes wordt Minco in 1938 aangenomen als leerling journaliste bij de Bredasche Courant. Ze verzorgt daar onder andere de film- en toneelrubriek en publiceert van tijd tot tijd korte schetsjes. Door haar werk maakt ze kennis met Bert Voeten, toen journalist bij het Dagblad van Noord-Brabant.
Onder druk van de NSB leider in Breda wordt Minco de dag na de capitulatie in 1940 ontslagen. Vanwege een lichte vorm van tbc wordt zij kort daarop in een ziekenhuis in Utrecht opgenomen. Later kuurt zij verder in een sanatorium in Amersfoort, waarheen haar ouders verhuisd zijn. De bezetters dwingen de ouders echter zich in Amsterdam in een `jodenwijk' te vestigen. Minco voegt zich daar bij hen. Haar zuster Bettie wordt in mei 1942, kort na haar huwelijk, met haar man opgepakt en gedeporteerd. In april 1943 worden haar ouders gearresteerd. Minco weet te ontkomen. Nadat ook Dave en zijn vrouw Lotte zijn opgepakt, duikt zij onder. Zij leeft onder verschillende namen, o.a. Marga Faes van Hoorn. Aan deze voornaam raakt zij zo gehecht, dat zij die later als schrijfster blijft dragen.
In 1944 komt Marga Minco terecht in een huis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam. Daar vindt de hereniging met Bert Voeten plaats. In december 1944 wordt hun eerste kind, Bettie geboren. In Amsterdam beleeft Minco de bevrijding. Zij en een broer van haar vader blijken de enige overlevenden van de familie te zijn. In augustus 1945 trouwt zij met Bert Voeten. In 1956 wordt hun tweede dochter, Jessica geboren.
Tussen 1950 en 1954 publiceert Minco korte verhalen en schetsen in het maandblad Mandril, het Haarlems Dagblad en Het Parool. Algemene erkenning vindt Minco met haar eerste boek Het bittere kruid in 1957. In datzelfde jaar krijgt zij de Mutatorprijs voor haar verhaal `Het adres'. In 1958 wordt Het bittere kruid bekroond met de Vijverbergprijs van de Jan Campert Stichting. In 1961 zag de verhalenbundel De andere kant het licht, in 1966 de roman Een leeg huis, en in 1974 Meneer Frits en andere verhalen uit de jaren vijftig. Daarna verscheen van haar de novelle De val (1983) en in 1986 het boekenweekgeschenk De glazen brug. In 1990 verscheen De zon is maar een zeepbel en in 1997 het boek Nagelaten dagen. Als laatste is in 2004 de verhalenbundel Storing gepubliceerd.
Minco's werk wordt gekenmerkt door het onderwerp van de oorlog en de daarbij behorende schuldvraag. Bovendien voert in haar werk de eenzaamheid de boventoon, maar dat wil niet zeggen dat ze dagelijks zit te kniezen. Minco vindt zichzelf een vrolijk mens.