Helga Ruebsamen
Helga Ruebsamen werd in 1934 in Batavia geboren. Ze bracht haar eerste vijf levensjaren in voormalig Nederlands-Indië door, om vervolgens te verhuizen naar het degelijke en keurige milieu van het Haagse Benoordenhout. Haar vader was een niet onbemiddelde joodse arts die zich direct na de Eerste Wereldoorlog in de Duitse hoofdstad Berlijn had gevestigd. De verhalen van haar vader over de Berlijnse jaren maakten indruk op Helga Ruebsamen.

Haar debuut maakte Ruebsamen met de bundel De kameleon in 1964. De verhalen die erin stonden gingen vooral over zelfvernietiging, over mensen die de ene keer kleur bekennen om er zich vervolgens weer tegen hun omgeving te weer te stellen.
Twee jaar later volgde de roman De heksenvriend en in 1970 verscheen de vrolijke 'schelmenroman' Wonderolie. Daarna verscheen in 1974 de bundel De ondergang van Makarov.
Dan laat ze bijna 15 jaar niets van zich horen, pas in 1988 komt ze met een nieuwe verhalenbundel uit; Op Scheveningen. Daarna verschijnt in 1989 de bundel Olijfje en andere verhalen en in 1992 De dansende kater.

De kritiek is over het algemeen altijd zeer lovend geweest over het werk van Ruebsamen. Maar pas met de publicatie van Het lied en de waarheid krijgt zij meer bekendheid bij een breder publiek.
In 1998 wordt zij met deze roman genomineerd voor de Gouden Uil en voor de Libris Literatuur Prijs.
In 1999 heeft zij opnieuw een verhalenbundel gepubliceerd met de titel Beer is terug.

"Wij voeren op zee met Garoeda. Met een andere boot, met een andere naam, hadden mijn moeder en tante niet willen gaan."
Het lied en de waarheid, p. 171