|
Mensje van Keulen
Mensje van Keulen wordt op 10 juni 1946 in Den Haag geboren. Haar eigenlijke naam is Mensje Francina van der Steen. Ze is de oudste uit een gezin van drie kinderen en is katholiek opgevoed. Na de middelbare school studeert ze aan verschillende Academies voor Beeldende Kunsten maar maakt deze studies nooit echt af. Tijdens dezelfde periode werkt zij enige tijd als een soort hulp in de huishouding in Engeland en later aan boord van een passagiersschip.
"De zee inlopen, dacht ie, niet m'n armen spreiden als het water m'n borst raakt, maar gewoon doorlopen. De eerste golf slaat over me heen. M'n hoofd komt even boven tot de tweede eroverheen gaat, en tenslotte spoelt de hele zee over me heen alsof ik er nooit liep."
In: Bleekers zomer
Haar artistieke loopbaan begint in 1966 als ze als tekenares bij het studententijdschrift Propria Cures gaat werken. In 1967 vestigt ze zich definitief in Amsterdam en trouwt met de fotograaf Lon van Keulen. Van 1970 tot 1973 maakt zij ook deel uit van de redactie van Propria Cures, waarvoor ze al politieke en literaire cartoons tekende.
Haar eerste verhaal wordt in 1969 gepubliceerd in Hollands Maandblad. De van jongs af aan aanwezige lust tot tekenen en schilderen maakt in die jaren steeds vaker plaats voor het schrijven van korte verhalen. In 1972 debuteert ze met de roman Bleekers zomer; later dat jaar worden haar korte verhalen gebundeld in Allemaal tranen. Van 1973 tot 1981 maakt ze deel uit van de redactie van Maatstaf. In die periode schrijft ze de roman Van lieverlede en de schelmenballade De avonturen van Anna Molino. In de jaren zeventig geven haar boeken sterk blijk van een fascinatie voor verval en uitzichtloosheid.
In 1982 verschijnt de roman Overspel en daarmee schrijft Van Keulen een roman waarin de verhaalontwikkeling voor het eerst meer aandacht krijgt. Ook in Engelbert (1987) geeft ze haar personages de mogelijkheid om hun deprimerende bestaan te ontvluchten.
Vanaf 1985 schrijft Van Keulen ook kinderboeken, die variëren van bizar tot sinister. Het succes van de boeken en het plezier dat de schrijfster in het schrijven ervan schept, doen haar besluiten voorlopig alleen voor kinderen te schrijven.
Het verschil tussen het schrijven van een kinderboek en een boek wat in principe voor volwassenen bedoeld is, omschrijft ze als volgt:
"het schrijven van Tommie Station was veel leuker. Ik had er zelf lol in en zat soms echt te lachen. Er is niets autobiografisch aan … Het schrijven van een kinderboek is niet per se makkelijker want je hebt allerlei beperkingen, maar het is emotioneel minder gecompliceerd."
In 1992 schrijft ze dan een boek over de schrijver Maarten 't Hart die zich zo nu en dan in vrouwenkleren hult (Geheime Dame). Twee jaar later verschijnt De rode strik en in 1997 publiceert ze haar herinneringen aan haar overleden moeder in Olifanten op een web.
"Op de ochtend van 21 september is de vrouw die het meest voor mij heeft betekend, gestorven."
In: Olifanten op een web
"De zusters van mijn moeder waren echte volksvrouwen, sterke vrouwen die ongegeneerd hun man vervloekten"
In: Opzij, februari 1995
Thematiek en stijl
Van Keulens thematiek wordt, in ieder geval in haar vroegere werk, bepaald door de uitzichtloosheid en de miezerigheid van het kleinburgerlijk milieu: het bestaan van de gewone burgerman; iemand die eenzaam is, niet kan ontsnappen uit zijn dagelijks bestaan, en blijft steken in hopeloze relaties.
Thema en motieven uit een debuut zijn vaak terug te vinden in het latere werk van een auteur.
Thema van Van Keulens debuut Bleekers zomer is: het beklemmende karakter van het burgerlijk bestaan en de onmogelijkheid daaruit te ontsnappen.
Motieven in dit debuut zijn: de sleur van het leven, levensangst, heimwee naar de (onbezorgde) jeugd, constipatie, zwakte, verloedering, Amsterdam tegenover Den Haag.
Ze schenkt veel aandacht aan details, die voor het verhaal heel sfeerbepalend werken. Sommige critici zien in haar werk het naturalisme uit de 19de eeuw terug. Ze wordt door hen vergeleken met schrijvers uit die tijd als: Frans Coenen, Marcellus Emants en J. van Oudshoorn. Zelf ziet Mensje van Keulen haar manier van schrijven meer als een variant op dit negentiende-eeuwse naturalisme, het nieuwe realisme. Zij wil in tegenstelling tot het naturalisme ook geen boeken met een boodschap of strekking schrijven. Zij schrijft om het schrijven zelf.
Mensje van Keulen schrijft op een nuchtere, sobere, zakelijke manier. Zo nu en dan gebruik makend van wat men wel spreektaal noemt (zei ie, dacht ie). Zij is ook een veelzijdig schrijfster; thuis in veel genres: poëzie, kinderboeken en romans.
Bibliografie
Bleekers zomer (1972, roman)
Allemaal tranen (1972, verhalen)
Van lieverlede (1975, roman)
Lotgevallen: ballade (1977, gedichten)
De avonturen van Anna Molino (1980, ballade)
Overspel (1983, roman)
De ketting (1983, verhalen)
Tommie Station (1985, jeugdboek)
Engelbert (1987, roman)
Polle de orgeljongen (1987, jeugdboek)
Vrienden van de maan (1989, jeugdboek)
Van Aap tot Zet (1990, abecedarium)
De lach van Schreck (1991, reisverhalen)
Meneer Ratti (1992, jeugdboek)
Geheime dame (1992, biografie)
Snottebel Lies en andere portretten (1994, gedichten)
De rode strik (1994, roman)
Pas op voor Bez (1996, jeugdboek)
Olifanten op een web (1997, roman)
De gelukkige (2001, roman)
Het andere gezicht (2003, verhalen)
Alle dagen laat: dagboek 1976 (2006, dagboek)
"Het werk is te belangrijk, er gaat geen dag meer voorbij dat ik niet schrijf. De rest van het leven valt me doorgaans zó tegen. Ik vraag me dat zelf niet af, maar het zou best kunnen dat ik schrijf omdát de rest zo tegenvalt".
In: Mens en Gevoelens, 1-2-1992
Bronnen:
Penta Dossier 98/99, over Mensje van Keulens Bleekers zomer
Winkler Prins Lexicon van de moderne Nederlandse literatuur, 1986
Kritisch Literatuur Lexikon
Prisma uittrekselboek 2050
www.schrijversnet.nl/keulen.htm
Interview in Opzij februari 1995
Interview in Libelle 27, 1997
|