Leeskringanalyse: De bidsprinkhaan van André Brink

De bidsprinkhaanAndré Brink
De bidsprinkhaan
Meulenhoff, 2006

Samenvatting
Voor deze bespreking is gebruik gemaakt van: André Brink, De bidsprinkhaan. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 2006. Vertaald uit het Engels en Zuid-Afrikaans door Rob van der Veer. Oorspronkelijke uitgave: Praying Mantis/Bidsprinkaan, 2005.

EEN: Koup tot Kamdeboo
banner-Schrijversdossier-terug-naar-Andre-BrinkDe geboorte van Kupido – in circa 1760 – is een mythische. Een van de verhalen is dat hij als zwakkere helft van een tweeling in het vrije veld is achtergelaten en vervolgens opgepakt door een buitelarend die hem een eind verderop in de schoot van een vrouw liet vallen. Daarna ging de baby dood, maar vlak voordat hij begraven werd, streek een grasgroene bidsprinkhaan op hem neer om ‘vurig te bidden’. En het wonder geschiedde, er kwam beweging in de baby en hij bleek weer te leven. Zijn moeder is er daardoor van overtuigd dat hij is ‘uitverkoren om een bijzonder mens te worden’.
Die verwachting wordt door Kupido ingelost. Hij wil graag ontsnappen aan het slavenbestaan dat zijn moeder leidt op de boerderij van een Afrikaner boer en is er van overtuigd dat hem dat gaat lukken. Als zijn moeder hem zegt dat hij moet wachten tot de arend hem komt halen, gaat hij veren verzamelen. Als hij er genoeg heeft, plakt hij ze op zijn armen en springt van een heuvel. Op een ander moment leert Kupido de toverkracht van woorden kennen als hij een mandje met appels en later met peren naar de buren moet brengen en er onderweg van snoept. De briefjes in de mandjes verraden hem, ook al dacht hij de tweede keer slim te zijn door het briefje onder een steen te leggen terwijl hij de peer opat. Hij begrijpt niet hoe het briefje hem toch kon verraden terwijl het niks gezien kon hebben. In deze vroege bewondering voor het woord ligt de kiem voor zijn latere christelijke geloof.
Kupido’s moeder heeft bovennatuurlijke gaven, ze wordt een ziener genoemd. Ook Kupido lijkt bepaalde gaven te hebben en hij kan net als zijn moeder met de god Heitsi-Eibib praten. Door deze gesprekken leert Kupido te jagen zonder angst. Hij krijgt daardoor al snel een goede reputatie als jager en hij mag met de Baas mee op jacht. Mannen uit de omgeving komen zelfs vragen of ze Kupido mogen lenen tijdens de jacht. Maar aan zijn geluk als jager komt een einde als hij tijdens de jacht op een olifant hardop tegen zijn Baas zegt dat niet hij maar Heitsi-Eiibib verantwoordelijk is voor de jachtresultaten. Hij realiseert zich meteen dat hij daarmee een fout heeft gemaakt en zijn magische kracht is verloren omdat hij niet meer op Heitsi-Eibib kan rekenen. De olifant wordt overwonnen maar niet voordat deze de Baas heeft gedood. Bij terugkeer op de boerderij blijkt ook Kupido’s moeder te zijn vertrokken. Door de opschudding over de dood van de Baas gaat niemand haar achterna om haar terug te halen.
Kort daarop verschijnt de rondtrekkende koopman Servaas Ziervogel op de boerderij. De spiegels van deze man intrigeren Kupido enorm omdat hij nog nooit zoiets met zoveel gezichten heeft gezien. Als de lange, magere koopman na een paar maanden weer verder trekt, besluit Kupido met hem mee te gaan. Onderweg vertellen ze elkaar verhalen over hun eigen god en zingen ze samen. Ziervogel zegt meer dan eens dat Kupido predikant moet worden, want `zo’n stem is gemaakt om gehoord te worden’. Ziervogel brengt hem echter niet alleen in aanraking met het christelijke geloof maar ook met drank.
Een periode met veel geweld, drank en vrouwen breekt aan, iets waar zelfs het huwelijk met de onverzadigbare, krachtige Anna Vigilant hem niet van kan genezen. Zij is aan hem gewaagd, samen maken ze letterlijk vuur bij hun eerste ontmoeting. Ze ziet met lede ogen zijn drankgebruik en overspel aan en helpt hem zelfs een keer als hij de man van een van zijn liefjes doodt door de man te laten verdwijnen.
Pas de kennismaking met de zendelingsdominee Van der Kemp brengt Kupido rust. Anna is weliswaar sceptisch over het geloof van Van der Kemp, maar ziet wel dat de dominee een gunstige invloed heeft op het gedrag van haar man. Kupido is zo onder de indruk van de preken van Van der Kemp dat hij zijn eigen god afzweert en zich laat dopen, een gebeurtenis waarbij hij bijna het leven laat, omdat hij kopje ondergaat in de rivier. Met deze gewelddadige doop eindigt het eerste deel.

TWEE: James Read
In het volgende deel vertelt de zendeling James Read dat hij Kupido leerde kennen bij zijn doop en hem daarbij van de verdrinkingsdood heeft gered. Read heeft bij verschillende gelegenheden meegemaakt tot welke uitersten Kupido in staat was. Zo slaat Kupido keer op keer de zondige Klaas Links in elkaar, net zo lang tot deze zich bereid verklaart om zich te laten dopen. Kupido bekeert zich helemaal tot de christelijke God en breekt bijvoorbeeld keer op keer de stapels stenen van de Hottentotten met blote handen af omdat hij het iets heidens en zondig vindt. Hij blijft dit doen ondanks dat Van der Kemp hem er van verzekert dat dit ritueel niet nodig is, zolang hij zich maar met zijn hart heeft losgemaakt van zijn heidense verleden.
Vanwege een groter wordende oorlogsdreiging verhuist het gezelschap rondom de zendelingen in 1802 van het plaatsje Graaff-Reinet naar de Algoabaai. In Botha se Plaas vinden ze een stukje grond. De oorlog komt steeds dichterbij en verdrijft het gezelschap naar het nabijgelegen Fort, waarna de nederzetting in Botha se Plaas meteen met de grond gelijk gemaakt wordt. De zieke Van der Kemp correspondeert vervolgens met de nieuwe overheid in de Kaap en medio 1803 wordt aan hen een lap grond overgedragen. De dominee noemt de plek Bethelsdorp. Kupido vraagt zich af waarom er zoveel gevochten wordt en iedereen honger moet lijden. Read zegt hem dat God zo hen beproeft die in Hem geloven, maar Kupido vindt het onbegrijpelijk en gaat daarover in gesprek met God, op een familiaire en vermanende toon. Dit en daaropvolgende gesprekken luistert Read af totdat Kupido’s nieuwe manier van communiceren met God het schrijven van brieven wordt, die hij bij Read brengt om ze voor hem te bezorgen.
Als het gebied weer in Britse handen valt, moeten Van der Kemp en Read voor maanden naar Kaapstad om te onderhandelen over hun positie. Alles loopt met een sisser af en ze mogen hun werk voortzetten, maar tijdens hun afwezigheid is er iets ontstellends gebeurd. De broer van Reads Hottentotse vrouw is, naar het lijkt onterecht, terechtgesteld voor een moord. De gebeurtenissen blijven onduidelijk en de mannen krijgen geen eerlijk proces. Het doet Read besluiten bewijzen te verzamelen tegen de slechte behandeling van Hottentotten door kolonisten. Kupido helpt hem daarbij. Het is moeilijk om dit alles in praktische maatregelen om te zetten, maar ze houden vol. Echter op weg naar de gouverneur in Kaapstad verslechterd de gezondheid van Van der Kemp en kort daarna, in december 1811, overlijdt hij. Als Read terugkeert in Bethelsdorp blijkt ook Anna Vigilant te zijn overleden. De uiteindelijke rechtzaak tegen de wrede kolonisten loopt vervolgens op niets uit.
Kupido leert steeds beter lezen en schrijven en houdt zich intensiever met het Woord bezig, ook letterlijk: Kupido eet de pagina’s van de Bijbel op om het Woord beter tot zich te kunnen nemen. Hij wordt als eerste Hottentot zelf zendeling en actief betrokken bij de kerstening in de wildernis van Afrika. Zijn eerste post is in Klaarwater, waar hij zijn tweede vrouw leert kennen. Maar door onenigheid met een zendeling daar wordt hij na korte tijd overgeplaatst naar Dithakong.

DRIE: Dithakong
Dithakong ligt erg afgelegen en is dor en verlaten. Kupido moet de mensen zoeken en hij besluit de gemeente vanaf zijn wagen te bedienen in plaats van af te wachten tot ze naar hem toekomen. Hij gelooft erin dat zijn plaatsing hier een doel dient en aanvankelijk sluiten mensen zich bij hen aan. Zijn vrouw houdt hem echter voor dat ze meer nodig hebben dan alleen het geloof, namelijk eten. Kupido probeert zijn zorgen te verwoorden in brieven aan Read en anderen. Maar Read is intussen ontslagen vanwege de vleselijke omgang met een jong meisje en kan zijn brieven dus niet beantwoorden. Ook de andere zendelingen nemen niet de moeite zich iets van Kupido’s erbarmelijke omstandigheden aan te trekken. Pas een hele tijd later besluit voorganger Moffat de zendingspost in Dithakong eens te bezoeken. Op dat moment is de post door iedereen verlaten en is ook Kupido’s vrouw al vertrokken. Kupido predikt alleen nog voor de stenen en hagedissen. Maar hij weigert met Moffat mee terug te gaan als deze, na eindeloze gesprekken met Kupido, de post weer verlaat. Uit deze gesprekken blijkt dat Kupido niet veel vertrouwen stelt in het geloof van de verantwoordelijken binnen het zendelingenwerk. In het laatste hoofdstuk wordt hij opgepikt door een wagentje dat bij toeval (of in zijn dromen) lijkt langs te komen. Op de bok zit een slaaf met de naam Arend en naast hem zit een bidsprinkhaan. Samen stapelen Arend en Kupido de stenen van Heitsi-Eibib op elkaar en rijden vervolgens weg. Hiermee komen zijn moeders woorden – dat hij door een arend zou worden opgehaald – uit en is het verhaal rond.

Thematiek
Geloof is een belangrijk thema in de roman. In het eerste deel laat Brink Kupido’s geloof in Heitsi-Eibib, de Hottentotse jager-god, zien. Zijn geloof in hem geeft hem een bovennatuurlijke macht over wilde dieren, waardoor hij een geweldige jager wordt. Kupido’s naam wordt bekend in het hele land, maar hij verliest zijn gave op het moment dat hij hardop zegt dat Heitsi-Eibib erachter zit, terwijl zijn naam niet uitgesproken mocht worden.
Aan het einde van het eerste deel ontmoet Kupido dominee Van der Kemp die een grote indruk op hem maakt met zijn verschijning en manier van praten. Al gauw raakt hij in de ban van hetgeen de dominee predikt. Kupido doet zijn Hottentotse geloof in de ban en gaat zich geheel aan het Woord van de christelijke God wijden. Hij doet dat oprecht en neemt de Bijbel erg letterlijk tot zich. Zijn geloof is gebaseerd op een onvoorwaardelijk vertrouwen in God. Hij wordt een van de fanatiekste bekeerlingen en doet zijn uiterste best om zoveel mogelijk anderen ook te bekeren. Hij wordt uiteindelijk ook zelf zendeling, de eerste zwarte zendeling.
Dat raakt aan een ander belangrijk thema in De bidsprinkhaan: dat van identiteit en ras. De blanke Van der Kemp en Read denken voor hun tijd behoorlijk verlicht over rassenverschillen. Beiden trouwen ze met een Hottentotse vrouw. Ze stellen zelfs een onderzoek in naar de wreedheden van de kolonisten tegen de Hottentotten, dat weliswaar op niets uitdraait. Ze geloven oprecht in gelijkheid. Als Kupido bij hun kennismaking Van der Kemp ‘Baas’ noemt, wordt hij dan ook door de dominee terecht gewezen: ‘In deze wereld is niemand andermans baas. We zijn allemaal slaven van de zonde.’ (p. 106). Helaas denken niet alle zendelingen en blanken dat. Kupido zal dan ook nooit echt als gelijke gezien worden en het is een val gebleken om zijn eigen afkomst te verloochenen. Zijn vrouwen waarschuwen hem er ook voor dat hij in de ogen van de blanken altijd een Hottentot zal blijven, terwijl hij voor de Hottentotten een blanke is geworden. Hij is ver van zijn eigen identiteit af geraakt. Het overkomt ook zijn vrouw Anna als zij zich ruim een jaar na Kupido toch laat dopen omdat ze haar man terugwil. Ze verliest daarmee de wonderen die haar diepe vertrouwen in haar eigen god (van het San-volk) haar bracht en het leidt uiteindelijk tot haar overlijden.

In relatie tot de thematiek vallen enkele motieven en symbolen op. Om te beginnen het motief van het verhalen vertellen. De eerste zin van de roman luidt: ‘Kupido Kakkerlak werd niet op de gewone manier uit zijn moeders lichaam geboren, maar uitgebroed uit de verhalen die ze vertelde.’ Niet alleen Kupido’s moeder is een verhalenvertelster, ook zijn vrouw Anna, Servaas Ziervogel en in zekere zin Van der Kemp zijn dat. Het is een eigenschap die een aantrekkingskracht op Kupido heeft. De verhalen die verteld worden, zijn vaak in een religieuze traditie geworteld en houden deze ook in stand. Maar omdat de verhalenvertellers uit verschillende tradities komen, brengen de verhalen Kupido ook in de war: ‘de verhalen die zijn moeder hem over het Khoivolk vertelde, de verhalen die Servaas Ziervogel hem op zijn wagen vertelde, over een god die tegelijkertijd Vader, Zoon en Heilige Geest is en boven de wolken woont, en nu Anna’s verhalen over Tkaggen en zijn soort. Wat moet een man eigenlijk voor waar aannemen?’ (p. 82).
Een ander motief is dat van de spiegels. Kupido ziet voor het eerst een spiegel tussen al de spulletjes van Servaas Ziervogel: ‘Het ding in de lijst aapt hem na.’ (p. 53). Hij begrijpt niet dat hij zichzelf ziet. Bij het afscheid van Ziervogel geeft deze hem een van zijn spiegels cadeau: ‘Met dit voorwerp in zijn bezit kan Kupido de confrontatie aan met alles wat de toekomst voor hem in petto heeft.’ (p. 67). Bij speciale gelegenheden haalt hij het doek er af en wisselt van gedachten met ‘de overal aanwezige vreemdeling’, zijn andere ik. Hij doet dat bijvoorbeeld bij de ontmoeting met Anna (p. 73), als Anna voorstelt om de boerderij te verlaten (p. 84/85) en later als Read Kupido zich regelmatig ziet terugtrekken tussen de struiken. De spiegel wordt symbool voor zijn zelfverloochening als deze in duizend kleine stukjes valt vlak voor zijn vertrek naar zijn eerste post als zendeling. Kupido is er door van slag en ziet het als een slecht voorteken. Hij zegt tegen Read: ‘Ik zat zelf in die spiegel, broeder Read. Nu heb ik mezelf achtergelaten. Wat moet er nu van me worden.’ (p. 218).
Ook een motief is zeep. Anna is zeepziedster en zij staat bekend om haar schoon wassende zeep. Op pagina 77-80 wordt haar recept voor zeep uitgebreid beschreven, met o.a. bloed als ingrediënt. Haar passie voor zeep is ontstaan uit een verlangen om zichzelf wit te wassen. Een poging daartoe heeft haar kreupel gemaakt, maar ‘haar verlangen is er niet minder om geworden.’ (p. 80). Het zeep-motief ondersteunt daarmee het thema van rassenidentiteit. En later wordt zeep door Kupido ook nog in verband gebracht met de geloofsthematiek na het gesprek dat hij met Van der Kemp heeft gehad over de ziel waarin de dominee zegt: ‘Maar in het bloed van Jezus Christus kunnen we allemaal schoongewassen worden van zonde […]’ (p. 106). Bij thuiskomst vertelt hij Anna dat ze morgen naar de kerk zullen gaan om wit te worden, zoals het wasgoed door haar zeep wit wordt: ‘Ik heb het niet over je lichaam Anna, of dat van mij. […] Er is iets wat ze de ziel noemen. […] Die man had het heel vaak over wassen […] Net als jij gelooft hij ook dat je bloed in de zeep moet doen. Hij zegt dat daar de was het witst mee wordt.’ (p. 107).
Een vierde motief is dat van de stenen, die in de cultuur van de Hottentotten onderdeel zijn van een ritueel, waarbij ze op elkaar gestapeld worden tot heilige heuvels voor Heitsi-Eibib. Kupido breekt na zijn bekering tot het christendom consequent deze stapels af als hij ze tegenkomt, omdat hij ze zondig vindt. Hij blijft dat doen, maar vanaf het moment dat hij zendeling is in Dithakong slaat hij het afbreken wel eens over. Zijn afnemende geestdrift voor de stenenstapels gaat gelijk op met zijn toenemende geloofstwijfel. Het ironische is dat hij op den duur alleen nog voor de stenen predikt. Bij zijn vertrek uit Dithakong stapelt hij de stenen weer op elkaar voordat hij gaat.
Tot slot is er nog het motief van het (kunnen) vliegen dat ondersteund wordt door de terugkerende arend. In een van de verhalen over Kupido’s geboorte komt al een buitelarend voor die hem als pasgeborene oppakt en meeneemt op zijn vlucht. Als kind vertelt zijn moeder hem – als Kupido naar vrijheid verlangt – dat de arend zal komen om hem mee te nemen. Daarop probeert hij te vliegen met behulp van op zijn armen geplakte veren. In Van der Kemp ziet Kupido bij zijn eerste ontmoeting met hem iemand die kan vliegen, dankzij de wijde mouwen van de dominee die als vleugels zijn als hij zijn armen spreidt. Op de laatste pagina’s van de roman wordt Kupido dan eindelijk opgehaald door `de arend’ waar hij zolang op heeft gewacht, al is het niet om op zijn vleugels weg te vliegen.

Titel en motto’s
De bidsprinkhaan is in de Hottentotse cultuur de brenger van voorspoed, zijn Afrikaanse naam, ‘hotsgotnot’, betekent zelfs ‘Hottentotse god’ (p. 16). De eerste keer dat de bidsprinkhaan optreedt in het verhaal brengt hij inderdaad voorspoed (p. 16-17). Als baby Kupido is overleden, strijkt er vlak voordat hij begraven wordt een grasgroene bidsprinkhaan op hem neer om `vurig te bidden’. Kort daarop komt er weer leven in het bundeltje en laat Kupido van zich horen. Een ander moment waarop de bidsprinkhaan figureert is als Kupido in tweestrijd komt te staan of hij op de boerderij zal blijven of met de handelaar Ziervogel mee zal gaan om rond te trekken: “Voor hem ziet hij twee huizenhoog opgeladen wagens, met op het voorste gedeelte […] tussen hen in op de bok, precies in het midden, hoog op zijn achterpootjes, zijn voorpootjes biddend samengevouwen, oogverblindend groen, een bidsprinkhaan. Dat is het teken waarop hij heeft gehoopt.” (p. 59).
Echter, een bidsprinkhaan die niet buiten is maar bijvoorbeeld binnenshuis, wordt juist gezien als ongeluksbrenger (p.19). Als Kupido als zendeling wordt geroepen om naar Klaarwater te gaan, maakt hij zich ongerust over een voorteken: een binnen zittende bidsprinkhaan, want als ‘hij naar binnen komt, gebeurt er allerlei slechts.’ (p. 215). Hij negeert het teken en gaat toch, maar het brengt hem inderdaad niet veel goeds. Pas als hij zijn latere post Dithakong verlaat, vertoont er zich weer een bidsprinkhaan, naast Arend op de bok van het wagentje dat hem komt halen (p. 278).

Brink heeft drie motto’s aan de roman meegegeven.
Het eerste is van John Barrow en zegt iets over de benaming Hottentot, die volgens hem zal worden vergeten of alleen herinnerd als onbelangrijk. Brink lijkt daar met zijn roman over de Hottentot Kupido een stokje voor te willen steken.
Het tweede motto van Don DeLillo is een betoog over het belang van gelovigen voor het voortbestaan van het menselijke ras en de wereld.
Met het derde van Philip Edge haalt Brink gekte aan. Edge vraagt zich af of gek zijn een keuze is.
Met deze drie motto’s worden drie kenmerken van hoofdpersonage Kupido aangehaald.
Structuur en techniek
De roman is opgebouwd uit drie delen met een titel en een concrete tijdsaanduiding, die elkaar in chronologie opvolgen. De titel van het eerste en derde deel is tevens een plaatsaanduiding. Deze delen bevatten respectievelijk 17 en 8 genummerde hoofdstukken met een eigen titel die de inhoud van het hoofdstuk kort samenvat. Het tweede deel wijkt daarvan af, de titel is de naam van een personage en er is geen hoofdstukindeling. De tekst wordt alleen hier en daar onderbroken door een witregel.
In het eerste deel, dat de jaren tussen circa 1760 en 1801 bestrijkt, vertelt een alwetende verteller over de eerste veertig jaar van het leven van Kupido Kakkerlak, over zijn wortels in de cultuur van de Hottentotten en over zijn uiteindelijke bekering tot het christendom die uitmondt in zijn doop. De alwetende verteller laat zich af en toe duidelijk horen, zoals op p. 69: ‘Omdat we ons bezighouden met de waarheid, de volle waarheid en niets dan de waarheid, moet hier nog iets verteld worden.’
In het tweede deel, dat zich van 1802 tot 1815 afspeelt, is de ikverteller James Read aan het woord. Hij vertelt dat hij Kupido voor het eerst echt ontmoette tijdens die doop, waar het eerste deel mee eindigt en beschrijft de daaropvolgende 13 jaar van Kupido’s leven vanuit zijn visie en vriendschappelijke gevoelens voor hem. Read is een ikverteller die achteraf over zijn herinneringen vertelt. Hij gebruikt concrete tijdsaanduidingen (voorzover hij zich die nog herinnert) maar vertelt zijn verhaal niet geheel chronologisch. De lezer neemt kennis van Reads verwondering over en bewondering voor Kupido’s puurheid. In dit deel worden brieven van Kupido aan God onderdeel van het verhaal.
Deze brieven krijgen ook een plaats in het derde deel dat weer alwetend verteld wordt. Dit deel verhaalt over de periode vanaf 1815 als Kupido als zendeling in Dithakong gaat werken. Het is niet duidelijk hoeveel tijd er is verstreken als hij daar weer vertrekt, vermoedelijk een aantal jaren. Dithakong is een afgelegen en droge, onvruchtbare streek die Kupido’s eenzaamheid en vruchteloze pogingen tot bekering van de plaatselijke bevolking versterkt.

Personages
Hoofdpersoon in De bidsprinkhaan is de historische figuur Kupido Kakkerlak, een als ‘onvrij’ geboren lid van de Khoi-stam, oftewel de Hottentotten. Hij heeft een rotsvaste geloofsovertuiging, is oprecht en enorm toegewijd, maar is tegelijkertijd ook excentriek en een beetje gek. Zijn kennismaking met Van der Kemp brengt een ommekeer in zijn losbandige en gewelddadige leven. Na de dood van zijn eerste vrouw Anna komt er opnieuw een keerpunt in zijn leven als hij zelf zendeling mag worden. Read omschrijft hem als een klein, rimpelig ventje. Hij is verder nieuwsgierig en ondernemend van aard, driftig, onbesuisd en geneigd tot uitersten. Kupido is een personage met mythische proporties, zo kan hij bijvoorbeeld een ster uit de hemel plukken (p. 19) en tijdens de eerste nacht met Anna vliegen de vonken letterlijk in het rond, zodat hun hutje in brand vliegt (p. 75). Kupido’s vrouw, Anna, en ook zijn moeder hebben dezelfde mythische eigenschappen, maar zij behouden deze omdat ze in de roman de spirituele kant vertegenwoordigen van de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Afrika, de San en de Khoi. Zij blijven dichter bij hun oorsprong dan Kupido.
James Read is een Engelse zendingspredikant met een rood, vlezig gezicht. Hij is aanvankelijk een jonge, onervaren zendeling die voor deze roeping gekozen heeft vanwege twee nare jeugdervaringen (met een onderdrukt dier en een misbruikt meisje). Zelf heeft hij moeite om zijn vleselijke lustgevoelens voor jonge meisjes in te tomen, waardoor hij uiteindelijk ook weggestuurd wordt. Read voelt een zekere jaloezie ten opzichte van de band die Kupido en Van der Kemp hebben. De parallellen tussen hun voorgeschiedenis (met drank en geweld), overeenkomsten in karakter en dezelfde felle trots die uit hun geloof voortkomt, maken namelijk dat Kupido als een zoon voor Van der Kemp wordt. Met Kupido heeft Read een vriendschappelijke band, die versterkt als Read met een Hottentotse vrouw trouwt. Zijn vriendschap met Kupido biedt hem veel houvast en steunt hem soms op momenten van geloofstwijfel.
De Nederlandse dominee Van der Kemp is een lange, magere, indrukwekkende man met een bolrond, kaal hoofd en een natuurlijk talent om te prediken. Net als Kupido heeft hij veel gedronken en vrouwen gehad, wat een snaar van herkenning bij Kupido raakt. Samen met Read is Van der Kemp een van de weinige blanken die in rassengelijkheid gelooft. Ook Van der Kemp trouwt met een Hottentots meisje, dat hij samen met andere slaven heeft vrijgekocht.

Taal en stijl
In het eerste en derde deel is er sprake van een sprookjesachtige verteltrant. Met name in het eerste deel, waar de mythische factor een grote rol speelt in de verhalen, is dit het geval. Bijvoorbeeld op p. 68 wordt een nieuw personage als volgt geïntroduceerd: ‘Daar vond hij na verloop van tijd ook een vrouw. En zo treedt Anna Vigilant het verhaal binnen.’ Het tweede deel is in een heel andere, meer gedragen stijl geschreven. De stem van Read is daarin goed herkenbaar. Zoals ook Kupido’s stem overtuigend doorklinkt in de eenvoudige en oprechte woorden die hij in zijn brieven gebruikt.
Brinks stijl kenmerkt zich door humor en ironie, zoals op pagina 67 als er over Kupido’s ‘roem als vrouwenjager, vechtjas en drinkeboer’ wordt verteld, volgt de zin ‘De grote toekomst die zijn moeder ooit voor hem voorspeld heeft, begint langzaam maar zeker bewaarheid te worden.’
Brink maakt in zijn roman verder gebruik van opsommingen (bijvoorbeeld op p. 45-47 en p. 62-63) en vergelijkingen met dieren, zoals ‘Kupido zit helemaal vooraan, met de rechte staart van een stokstaartje’ (p. 108) en ‘[…] met een uitgestoken wijsvinger de woorden op een vel papier voor zich uit te duwen, zoals een mestkever dat met zijn kostbare bolletje doet.’ (p. 67).

Situering binnen het werk
André Brink (1935) was een van de voormannen van de beweging van Sestig in Zuid-Afrika – een groep schrijvers die overwegend in de zestiger jaren debuteerde en die vernieuwend proza schreef en bewust brak met het gemoedelijke realisme van eerdere generaties. Maar in 1968 distantieerde Brink zich van de beweging omdat de Sestigers volgens hem de neiging hadden om een ivoren-toren-kunst te maken en Brink wilde dat literatuur een meer sociaal-maatschappelijke functie had. Met zijn roman Kennis van de avond (1973) lukte het hem om een bewustwording tot stand te brengen voor de Zuid-Afrikaanse situatie. Hij kreeg bovendien met deze roman als eerste Afrikaner schrijver te maken met de destijds heersende censuur. De eerste decennia van zijn schrijverschap waren zijn romans vooral gericht tegen de politiek van de apartheid. Talloze kritisch politieke, antiapartheid en enkele postapartheid romans later verschijnt deze historische roman, een genre dat hij eerder al beoefende in De andere kant van de stilte.
In een interview met Theo Hakkert van Het Parool vertelt Brink dat dominee Van der Kemp al langer een obsessie voor hem vormt en dat hij al in twee eerdere romans voorkomt.

Reacties
De Nederlandse recensenten ontvangen De bidsprinkhaan overwegend positief. Alleen Hans Ester van het Nederlands Dagblad plaatst ook een kritische noot: ‘Wat nochtans aan de roman ondanks alle goede kanten (zoals de aanschouwelijke beelden en de humor) ontbreekt, is de weergave van een echte, serieuze ontmoeting en botsing van de Afrikaanse erfenis op godsdienstig en sociaal gebied met de uit Europa overgewaaide waarden’. Ook vindt hij dat de ‘vele erotische escapades van Kupido’ uiteindelijk ondermijnend zijn voor ‘de geloofwaardigheid van de hoofdpersoon’. Maar hij ziet ook positieve dingen in de roman: ‘André Brink verdient een compliment voor de degelijkheid waarmee hij onderzoek heeft gedaan naar de religieuze tradities van de Khoimensen. De verteller gaat vol respect met deze tradities om. Het begin van de roman is sterk door de samenhang van de mythische symbolen in het leven van Kupido.’
Job Janssens van het Haarlems Dagblad constateert: ‘Wie echter De bidsprinkhaan opent, wordt ogenblikkelijk meegezogen in een wervelwind van verhalen’ en zijn conclusie luidt: ‘De Bidsprinkhaan is een rijk gevuld vat met verhalen die met veel humor, in een prachtig transparant soort Nederlands worden opgediend’. Hij is niet de enige die de humor in de roman aanhaalt en positief is over de schrijfwijze. Fred de Vries van de Volkskrant schrijft daarover: ‘Het is een verhaal dat in de handen van minder begenadigde auteurs niet van de grond zou komen. Maar Brink hanteert een vertelvorm die magisch realisme moeiteloos vermengt met humor, historie, reflectie en klucht. De beeldspraken zijn zonder uitzondering pakkend’. Hij vindt de roman bovendien ‘fraai geschreven’. Ludo Teeuwen van De Standaard merkt op: ‘Frappant, humoristisch maar net zo goed aandoenlijk zijn bijvoorbeeld de brieven van Kupido’, en voegt daaraan toe: ‘Met Kupido Kakkerlak zet Brink een levensecht personage neer’. Ronduit positief was Annemarie van Niekerk in Trouw: ‘Dat resulteerde in een van zijn beste romans tot nu toe’ en ‘Ik ken weinig boeken waarin de ervaring van kolonisering en kerstening zo voelbaar wordt verbeeld als in deze roman’.

Context
Het verhaal van Kupido speelt tijdens een onrustige periode in de geschiedenis van Zuid-Afrika, waarin dan weer de Nederlandse dan weer de Engelse kolonisten het voor het zeggen hadden. De oorspronkelijke bewoners, zoals de Khoikhoi en het San-volk waar respectievelijk Kupido en zijn vrouw Anna toe behoren, kwamen in opstand, net als de boeren.
De bidsprinkhaan is gebaseerd op waargebeurde feiten, zoals Brink in zijn Verantwoording meldt, onder andere op het artikel `The Life and Times of Cupido Kakkerlak’ van V.C. Malherbe uit 1979. Het verhaal is wel fictief, want – zoals Brink zelf schrijft – `Toch besef je juist door het lezen van een zo goed gedocumenteerd verslag hoezeer het raadsel van andermans leven alleen begrepen kan worden met behulp van de verbeelding’. Vanaf het moment van Kupido’s bekering is zijn leven onderdeel van de officiële geschiedschrijving. De eerste veertig jaar van zijn leven, die Brink in het eerste deel van zijn roman beschrijft, zijn niet gedocumenteerd omdat hij toen nog niet bestond voor de blanke geschiedschrijvers. Kupido heeft ongeveer van 1760 tot 1825 geleefd en in de Kaapse archieven zijn brieven van hem bewaard gebleven. Ook Read en Van der Kemp zijn historische figuren en hun werk als zendeling van de London Missionary Society is gedocumenteerd.

Voor wie meer wil weten
Ester, Hans. ‘Kupido Kakkerlak tussen twee stoelen’.
In: Nederlands Dagblad, 8 december 2006.
Hakkert, Theo. ‘Zendeling met een wild verleden’.
Interview in: Het Parool, 11 januari 2007.
Janssens, Job. ‘Geen verhaal, geen leven’.
In: Haarlems Dagblad, 6 januari 2007.
Niekerk, Annemarie van. ‘Bekeerd, beschaafd – en ongelukkig’.
In: Trouw, 13 januari 2007.
Teeuwen, Ludo. ‘De man die werd uitgebroed’.
In: De Standaard, 20 april 2007.
Vogelaar, Jacq. ‘Bladzij voor bladzij’.
In: De groene Amsterdammer, 26 januari 2007.
Vries, Fred de. ‘In de ban van Heitsi-Eibib’.
In: de Volkskrant, 26 januari 2007.

Vragen en discussietips

  • De bidsprinkhaan keert meerdere malen terug in het verhaal. Op welke momenten en in welke rol?
  • Van der Kemp en Read zijn, net als Kupido, historische figuren. Hoe zou u hun karakters omschrijven? Welke overeenkomsten en verschillen ziet u tussen hen?
  • De eerste veertig jaar van Kupido’s leven heeft Brink grotendeels moeten verzinnen, omdat hij pas bestond voor de blanke geschiedschrijvers vanaf het moment dat hij christelijk (zendeling) werd. Brink heeft ervoor gekozen om hem als losbol neer te zetten. Hoe vindt u die keuze?
  • Het boek bevat veel symboliek (de bidsprinkhaan, de arend, de spiegels, de witwassende zeep, de sterren, de onvruchtbaarheid van Kupido’s zendelingenpost). Sommige recensenten vonden de symboliek te nadrukkelijk aanwezig. Wat is uw oordeel hierover?
  • Het eerste en derde deel worden verteld door een alwetende verteller en zijn sprookjesachtig (met name het eerste deel). In het tweede deel zien we de gebeurtenissen vanuit het perspectief van de ikverteller en zendeling James Read. Welke verteller heeft uw voorkeur en waarom?
  • Brink zegt in het tv-programma Pauw en Witteman van 28 november 2006 het boek te hebben geschreven om zijn empathie met de zwarte mens te uiten. In hoeverre is hij daarin geslaagd volgens u?
  • Kupido valt tussen wal en schip, hij is noch een Hottentot, noch blank. Wat betekent dit voor hem?
  • Brink is kritisch over het zendelingenideaal. Dat maakt zijn roman enigszins moralistisch. Wat vindt u daarvan?banner-Schrijversdossier-terug-naar-Andre-Brink
Share