Literaire Termen

Chronologie
Vertelvolgorde van de plaatsgevonden gebeurtenissen. Chronologische vertelvolgorde houdt in dat alles in de juiste volgorde verteld wordt.

Climax
Het hoogtepunt van een verhaal, waarin de opgebouwde spanning tot een uitbarsting komt. Niet elk verhaal heeft een climax.

Flashback
Terugblik, zowel naar gebeurtenissen buiten als binnen de handeling.

Genre
Een werk kan tot een bepaalde groep werken behoren, met dezelfde kenmerken, ook wel genrekenmerken genoemd. Voorbeelden van literaire genres zijn: kort verhaal, gedicht, novelle, autobiografie, roman. Subgenres van de roman zijn bijvoorbeeld: historische roman, bildungsroman, briefroman, bekentenis literatuur, autobiografische roman, psychologische roman, streekroman, etc.

Handeling
Het handelen van de personen in een roman, dus wat er gebeurt in een roman. Ook wel plot of intrige genoemd. Een kort verhaal of een niet al te dikke roman hebben meestal maar één handeling. Uitgebreide romans daarentegen hebben naast de hoofdhandeling een of meer bijhandelingen (subplots, nevenintriges).

Intertekstualiteit
Verwijzingen binnen een literair werk naar een ander (literair) werk. Dit kunnen heel directe verwijzingen zijn, waarbij de titel van het bedoelde boek meteen duidelijk is. Maar dit kunnen ook impliciete verwijzingen zijn, waarbij men moet denken aan een romanfiguur, een thema, etc.

Literaire stroming
Een heersende denk- of werkwijze op artistiek terrein, die terug te vinden is in literaire werken. De benaming van een dergelijke stroming kan door een groep kunstenaars zelf aan hun werk gegeven worden, maar kan ook achteraf door literatuurcritici aan werken van een bepaalde periode met dezelfde gemeenschappelijke overtuiging of techniek gegeven worden. Voorbeelden van literaire stromingen zijn: Romantiek, Realisme, Naturalisme, Modernisme, Existentialisme, Post-modernisme, etc.

Monologue interieur
Weergave van de gedachten van een personage in de directe rede. Ook wel innerlijke monoloog of stream of consciousness genoemd.

Motief
Een herhaaldelijk terugkerend element, dat een patroon in een verhaal vormt.

Motto
Korte tekst, vaak een citaat van een andere schrijver of filosoof, voor de eigenlijke tekst geplaats. Verduidelijkt en ondersteunt soms de titel.

Novelle
Korte roman, meestal niet meer dan 100 pagina’s.

Open einde
Als de afloop van een roman niet precies duidelijk is, is er sprake van een open einde. De afloop kan zelf ingevuld worden. Daar tegenover staat een gesloten einde, als er geen twijfel bestaat over de afloop.

Perspectief
Het gezichtspunt van waaruit een verhaal verteld wordt.

Stijl
De manier waarop een verhaal is geschreven. Een auteur kan bijvoorbeeld veel korte zinnen gebruiken, of juist heel beschrijvend zijn en alles tot in de details uitwerken. Het gebruik van veel bijvoeglijke naamwoorden of dialogen kan ook kenmerkend voor de schrijfstijl zijn. Dit alles kan invloed hebben op de leesbaarheid of het leesplezier, en dus op de waardering van het verhaal. Een schrijver kan de stijl aanpassen aan bijvoorbeeld het perspectief (zoals korte zinnen met eenvoudige woorden als het perspectief bij een kind ligt).

Symboliek
Gebruik of toepassing van symbolen. Een symbool is iets dat staat voor iets anders. Een duidelijk voorbeeld is de roos die voor de liefde staat.

Thema
Het thema is een algemene gedachte die het eigenlijke onderwerp van het verhaal vormt. Het is iets waar bijna iedereen mee te maken heeft, een ‘algemene waarheid’ dus.

Tijdsprong
Een (on)bepaalde hoeveelheid tijd wordt overgeslagen.

Tijdverdichting
Een bepaalde hoeveelheid tijd wordt ingekort, hierover wordt weinig tot niets verteld. Er wordt alleen een samenvatting gegeven.

Vertelde tijd
De hoeveelheid tijd (uitgedrukt in minuten, dagen, weken, jaren) die tijdens de vertelde gebeurtenissen verstrijkt.

Verteltijd/-tempo
De hoeveelheid tijd die verstrijkt in een bepaald aantal regels of bladzijden. Ten opzichte van het gedeelte er aan voorafgaand kan worden gesproken van een vertraging of een versnelling van het verteltempo.

Vooruitwijzing
Korte vooruitblik, ook wel flashforward genoemd, zowel naar gebeurtenissen buiten als binnen de handeling.