Perspectief en Verteller

Vanuit wiens gezichtspunt (of ‘point of view’) wordt het verhaal verteld en gebeurtenissen gezien? Het kan van belang zijn te weten bij wie (op een bepaald moment) het perspectief ligt om de gebeurtenissen op de juiste waarde te schatten. Een perspectief kan sterk gekleurd zijn door het personage bij wie het perspectief ligt. Ook kan er bijvoorbeeld sprake zijn van perspectiefwisselingen; dan kom je als lezer voor vragen te staan als: welke visie van welk personage is de juiste? Wiens ideeën en welke gedachten over de gebeurtenissen zijn correct?
Vaak hangt het perspectief nauw samen met de verteller van het verhaal. Er zijn verschillende soorten vertellers, zoals de ik-verteller, de onzichtbare verteller, de personale verteller en de alwetende verteller.

Het perspectief
In het algemeen zijn er met betrekking tot het perspectief twee mogelijkheden. Bij een roman die geschreven is in de derde persoon, zeg je dat het perspectief bij de hij- of zij-figuur ligt. Bij een verhaal dat in de eerste persoon is geschreven, ligt het perspectief bij de ik-figuur. Perspectief wordt ook wel focalisatie genoemd.

De verteller
Het is belangrijk om het onderscheid te maken tussen de schrijver en de verteller. Deze twee zijn niet noodzakelijkerwijs één en dezelfde. Het is een fout die wel vaker gemaakt wordt en goed te begrijpen is. Als bijvoorbeeld een ik-figuur veel trekken vertoont van de schrijver van het boek, ligt het voor de hand deze ik-figuur (en ik-verteller) te identificeren met de schrijver. Echter alle personages (inclusief zo’n ik-verteller) zijn door de schrijver verzonnen.

De diverse mogelijkheden/combinaties
In een verhaal waar de lezer meekijkt met een ik-figuur en waar het perspectief dus bij deze ik-figuur ligt, is deze ik-figuur tevens de verteller van het verhaal. In zo’n geval spreken we van een ik-verteller.

Er zijn twee mogelijkheden:

Vertellende ik: een ik-persoon die gebeurtenissen uit het verleden vertelt, achteraf vertelt dus. Vergelijkbaar met de auctoriale verteller; deze ik overziet alles maar neemt echter wel deel aan de handeling, in tegenstelling tot de auctoriale verteller.

Belevende ik: alles gebeurt nu, op dit moment. De lezer raakt hierdoor heel direct bij het gebeuren betrokken, het lijkt reëel.

Het perspectief van de ik-verteller is het minst ingewikkeld.

Ingewikkelder is het bij een verhaal dat in de derde persoon is geschreven en waarin het perspectief bij de hij- of zij-figuur ligt. Het lijkt alsof het verhaal zichzelf vertelt, alsof er geen verteller aanwezig is. Een dergelijke verteller wordt de personale verteller genoemd, maar ook wel een onzichtbare of verborgen verteller. Het zicht van de lezer blijft beperkt tot wat één personage denkt, hoort, ziet, voelt, etc. Meestal is de personale verteller in de hele roman dezelfde (enkelvoudig personaal), maar soms verandert hij van personage (wisselend personaal). Op die manier kunnen schrijvers de handeling van verschillende kanten laten zien, want iedere verteller kan slechts zijn eigen visie op het gebeuren geven. Je krijgt dus nooit de visie van meerdere personages tegelijkertijd als er sprake is van een (wisselend) personale verteller.

Tot slot is er nog een derde mogelijkheid, de alwetende (auctoriale) verteller: een verteller die zich voordoet als de auteur, die zelf niet aan de handeling deelneemt, maar alles van iedereen afweet, alles overziet. Soms spreekt hij de lezer toe of levert hij commentaar. Het lijkt alsof er iemand tegenover je op een stoel zit en je eens even een spannend, zielig of komisch verhaal zal vertellen. Soms is deze verteller, die optreedt als een ik-figuur, duidelijk in beeld en richt hij zich direct tot de lezer, soms lijkt het erop dat de verteller afwezig is en dat het verhaal ‘zichzelf vertelt’.

In tegenstelling tot verhalen met een gewone ik-verteller, neemt deze alwetende verteller nooit deel aan de gebeurtenissen waarover hij vertelt. Hij kent het verhaal, de personen, de gebeurtenissen en de afloop. Met andere woorden de alwetende verteller ziet en hoort alles (ook van gebeurtenissen die gelijktijdig plaatsvinden), hij kent de gedachten van alle personages, hij weet wat er vroeger is gebeurd en wat er later zal gebeuren.

Typerend voor het auctoriale perspectief zijn zinnen als: “Later zou hij nog vaak aan deze dag terugdenken”, “Hij wist toen nog niet…”, “Zonder dat zij het merkte…”, “Zij was nu eenmaal iemand die steeds…”.

Bij verhalen met een alwetende verteller is het lang niet altijd even duidelijk bij wie het perspectief ligt. Soms lijkt het er op dat de lezer meekijkt met de hoofdfiguur, soms lijkt het erop dat de lezer meekijkt met de alwetende verteller. Het valt niet in alle gevallen uit te maken of beschreven gedachten afkomstig zijn van het (hoofd)personage of dat het commentaar is van de alwetende verteller.

Bij de personale en de ik-verteller kan het perspectief onbetrouwbaar zijn: de lezer krijgt een vertekend beeld, omdat de verteller bijvoorbeeld gestoord is, liegt, waandenkbeelden heeft of de dingen mooier voorstelt dan ze zijn. De lezer moet dus oppassen niet voor de gek gehouden te worden; hij schenkt in eerste instantie het volste vertrouwen.