Tijd

In welke tijdsperiode (historisch) speelt het verhaalgebeuren zich af? Is het wel of niet chronologisch? Zijn er flashbacks en/of flashforwards? Wat is de vertelde tijd (de tijd die de gebeurtenissen innemen)? Wat is de verteltijd (de tijd die het kost om de gebeurtenissen te vertellen in pagina’s of hoofdstukken)? Is er tijdverdichting (in een paar zinnen veel tijd overbruggen) of zijn er sprongen in de tijd (tijd overslaan)?

Historische tijd

Gebeurtenissen in een roman spelen zich meestal af in een bepaalde tijd. Bijvoorbeeld in de Gouden Eeuw, tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1980. Dit wordt de historische tijd genoemd. Niet alles in een beschreven periode hoeft even belangrijk te zijn voor het verhaal.

Het is vrijwel altijd mogelijk de historische tijd vast te stellen, ook als die nergens vermeld wordt. Er zijn diverse aanwijzingen waar men op kan letten, zoals het optreden van historische figuren, verwijzingen naar politieke gebeurtenissen, het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde apparatuur.

Over het algemeen is er weinig interessants te vertellen over de historische tijd; meestal vloeit ze rechtstreeks voort uit de gekozen handeling. Bijvoorbeeld een oorlogsroman speelt zich af tussen 1940-1945.

Wanneer het begrip historische tijd iets beperkter wordt opgevat, bijvoorbeeld als de tijd van de dag, dan is die tijd soms met opzet zo gekozen. Bijvoorbeeld griezelverhalen spelen zich vaak ’s nachts af, geliefden kussen elkaar bij maanlicht. Vaak zijn dit clichés geworden, die alleen nog in de ontspanningslectuur voorkomen.

 

Tijdsduur

Elk verhaal duurt een zekere hoeveelheid tijd. Enkele uren, dagen, jaren. Meestal is deze tijdsduur gemakkelijk te bepalen. Soms zitten er grote hiaten in; eerst worden bijvoorbeeld de eerste vijf levensjaren van een personage beschreven, waarna het verhaal verspringt naar het twintigste levensjaar van het personage. Er worden dan zo’n vijftien jaar overgeslagen, maar we zeggen toch dat de totale tijdsduur ongeveer twintig jaar is.

Binnen enkele regels zijn we ineens vijftien jaar verder. Zulke passages heten in de verhaalanalyse versnellingen. Een versnelling is met andere woorden een passage in een roman of verhaal waarin de gebeurtenissen beknopter worden verteld dan in de omringende passages. Dit gegeven wordt ook wel tijdverdichting genoemd.

Het omgekeerde is een vertraging: een belangrijk onderdeel wordt uitvoeriger beschreven dan de gebeurtenissen ervoor en erna. Dit komt vaak voor als de gedachten van een persoon moeten worden beschreven. Tijdvertragingen dragen vaak bij aan de spanning van een verhaal. De lezer moet (langer) wachten op de afloop.

Ook kunnen er tijdsprongen voorkomen in een verhaal. Zonder samenvattende regels (versnelling) kunnen we toch ineens een paar jaar verder in de tijd zijn. Zo’n tijdsprong wordt meestal aangegeven met enkel een witregel of het begin van een nieuw hoofdstuk.

 

Tijdsvolgorde

De schrijver kan ook met de tijdsvolgorde spelen, door middel van het gebruik van de flashback en de flashforward (oftewel de terugblik en de vooruitblik). Vrijwel elke roman bevat flashbacks en flashforwards.

Bij een flashback wordt iets verteld dat eerder is gebeurd dan wat in de omringende passages staat (bijvoorbeeld: “Hij herinnerde zich hoe hij destijds…”).

Een flashforward is het omgekeerde van de flashback. De vooruitwijzing deelt iets mee dat later uitvoeriger aan de orde zal komen (bijvoorbeeld: “Zij realiseerde zich niet hoe belangrijk dit zou blijken te zijn”). Beide afwijkingen in de tijdsvolgorde doorbreken de chronologie van de gebeurtenissen. Als een verhaal chronologisch is verteld, is het in de juiste tijdsvolgorde verteld.

 

Tijdstructuur

Een schrijver is vrij om met de tijd te goochelen. Hij hoeft een verhaal ook niet bij het begin te laten beginnen, maar hij kan het laten beginnen op een door hem gekozen moment. Hij kan de lezer bijvoorbeeld midden in de gebeurtenissen laten vallen; de term daarvoor is in medias res. Bovendien hoeft hij het ook niet bij het einde te laten aflopen. Niet alle verhalen kennen een duidelijk slot (of een zogenaamd gesloten einde). Soms is niet zo duidelijk hoe de geschiedenis afloopt en blijft de lezer zitten met de vraag hoe het verder gaat. Als er vragen onbeantwoord blijven, noemen we het einde een open einde.

Ieder verhaal krijgt zo een eigen constructie, zijn eigen ritme en zijn eigen tempo. Een verrassende constructie en afwisseling in ritme en tempo zorgen eveneens voor de spanning in het verhaal.