‘Nu ben ik helemaal klaar’ – Gesprek met Jan Siebelink

2008cover-boek-delen4webTijdens de wervelstorm van aandacht waarin Jan Siebelink na het verschijnen van Knielen op een bed violen werd meegezogen, schreef hij in de vroege uren van de ochtend aan een nieuwe roman. Eind september [2008] verscheen Suezkade. Een gesprek met de schrijver, wiens zeventigste verjaardag dit jaar groot gevierd werd, over zijn drijfveer om te schrijven, de verschillen en de overeenkomsten tussen fictie en werkelijkheid, het buitenstaanderschap en hoe verder te schrijven na Knielen op een bed violen en Suezkade. Romans die hij als eindpunt ziet van de twee lijnen in zijn oeuvre: zijn afkomst en zijn docentschap.

Suezkade gaat over de jonge docent Frans, Marc Cordesius, die les gaat geven op het Descartes in Den Haag. Op zijn eerste werkdag ontmoet hij onderweg naar school het meisje Najoua, dat door de regen springt en danst. Zij blijkt later bij hem in de klas te zitten. ‘Het is het verhaal van de fatale, volstrekt onmogelijke liefde’, vertelt Siebelink. Het verhaal beslaat zo’n vijf, zes jaar waarin Marc zich steeds afzijdiger houdt van de gang van zaken op school, een eigen lokaal inricht, leraren ziet vertrekken en waarin Najoua anorexia krijgt en opgenomen wordt in een kliniek.
‘Het is een heel mooi liefdespaar natuurlijk. Ook een onmogelijk liefdespaar, want zij is twaalf of dertien en hij is een leraar, is gezagsdrager. Hij doet geen dingen die verboden zijn, maar hij overschrijdt wel de relatie leerling-leraar’, licht de auteur toe. ‘Op het eind overschrijdt hij zelfs grenzen, dat is zorgvuldig opgebouwd, maar ik heb het geen moment gezien als een verboden liefde. De liefde en erotiek zijn heel subtiel.’

Verwachtingen
De liefhebbers van Knielen op een bed violen zullen misschien iets heel anders verwachten?
‘Ja, maar ik heb tijdens het schrijven niet aan hen gedacht. Natuurlijk vallen er lezers af die dachten dat er een vervolg op Knielen zou komen. De lezer wil namelijk altijd iets dat hij herkent, meer van hetzelfde. Maar goed, dat is het dus niet. De lezer zal hopelijk beseffen dat het in Suezkade niet om een ordinaire versierpartij gaat en dat hier op buitengewoon hoogstaande wijze iets verbeeld wordt van zeer intense gevoelens of van een zoektocht naar de zin van het bestaan. De erotische scène die er in staat, is ook de finale en totaal dramatisch. Ik hoop dat de lezers het heel mooi vinden en dat ze mijn hoofdpersonen zien zoals ik ze zie: als een mythisch liefdespaar. Als ze dat niet waren, zou het namelijk een heel treurige, gewone schoolroman zijn geworden met al het gezeik over leraren enzo. Suezkade overstijgt dat allemaal.’

Hoe bent u bij het schrijven omgegaan met de druk van de hoge verwachtingen na Knielen?
‘Termen als meesterwerk en opus magnus zijn gevallen, maar toch voelde ik die druk niet. Ik werd toen namelijk zo intens geleefd, elke dag had ik wel een of twee lezingen. Dus het was eigenlijk een verademing om rustig aan mijn bureau te zitten. Er was één ding dat ik niet moest doen, dat was een vervolg op Knielen schrijven. Begin 2006 ben ik opeens begonnen, met de gedachte ‘als het niks wordt, ga ik het ook niet uitgeven’. Ik wilde daarmee juist de druk ontlopen, omdat niemand er toen nog om vroeg. Op 17 september 2006 had ik een eerste versie af, waarin al behoorlijk deze vorm aanwezig was.

Begint het schrijven van een nieuw boek achter uw bureau?
‘Al wandelend met mijn honden of zittend in de auto had ik al wel bedacht dat ik dit boek over een jonge leraar nog wilde schrijven. Voordat ik echt begin met schrijven zit er toch al wat in mijn hoofd. Als ik op een feestje zit, gaat een deel van mijn hoofd gewoon door. Ik herinnerde me een gebeurtenis tijdens het laatste jaar dat ik docent was. We hadden in de gangen studienissen voor de leerlingen en daar ging ik vaak wat lezen of voorbereiden. En op een bepaald moment zat er een Marokkaans meisje naast mij haar huiswerk te maken terwijl de andere nissen helemaal leeg waren. Ze was nieuwsgierig naar mij waardoor er een vaag soort verbond ontstond. En dat heb ik in mijn fantasie helemaal uitgewerkt in Suezkade. Dit was het beginpunt: ik wist opeens “die twee gaan het verhaal uitmaken”. Eenmaal achter mijn bureau ben ik gewoon begonnen met een jonge leraar die op school komt, een soort klassiek verhaal: iemand komt ergens aan en dan begint er wat. Ik wist niet dat het dít boek zou worden want ik heb geen plan als ik begin met schrijven. Ik heb alleen een aantal scènes waarvan ik weet dat die er in moeten, zoals de vechtscène en de ‘kruisiging’ op het podium, omdat ik die beide heb meegemaakt.’

‘De lezer wil namelijk altijd iets dat hij herkent, meer van hetzelfde.’

Een verhaal dat Marc in het boek schrijft, thematiseert het verschil tussen fictie en werkelijkheid. De rector, die een buitenechtelijke relatie heeft, kan dat onderscheid niet maken, met de ‘kruisiging’ tot gevolg.
‘Zowel de rector in het boek als de rector die ik heb meegemaakt moest wel reageren om zijn situatie te redden. Ik was destijds een goede vriend van de rector en heb hem gewaarschuwd voor zijn relatie met die vrouw. Ik heb ook zelf uit een soort balorigheid een soortgelijk verhaal geschreven als Marc. Ik heb nooit gedacht dat hij dat zou lezen. Ik was dus totaal verrast toen hij daarmee op de proppen kwam. In het boek is het verhaal niet gepubliceerd, dus in het boek ben ik veel netter dan in de werkelijkheid.’

Hebt u nooit problemen gehad naar aanleiding van uw openhartigheid over het autobiografische in uw werk?
‘Het maakt je inderdaad kwetsbaar. Het kan met dit boek ook gebeuren. Allerlei leraren zullen zeggen “dat is die misschien wel”. Maar het zijn toch gecomponeerde figuren. Ik heb dan één trekje van de een en één ander trekje van een ander genomen. Er gebeuren altijd duizend dingen die niet kloppen, maar één ding wel. Als ik daarmee een heel mooi boek kan schrijven, vind ik het zonde om dat te laten liggen. Ik maak er inderdaad nooit een geheim van dat er ergens een link is tussen de werkelijkheid en mijn boeken, maar het is nooit één op één. Ik ben Marc Cordesius niet én ik ben het wel. Hij is bedacht door mij en alleen ík kon hem bedenken.’

Angsten
Bekende thema’s in uw oeuvre, zoals schuld en angst, komen ook in Suezkade aan bod.
‘Ja, die jongen is van nature angstig, hij is angstig voor het leven, voor wat hem kan overkomen. Dat ben ik ook trouwens. Hij is misschien ook wel angstig voor zijn eigen leegte. Hij heeft geen echte idealen, dus hij is bang voor wat in hem huist. Hij verkeert in een aanhoudend onveilige situatie, kun je zeggen.
En verder heeft hij een aangeboren schuldgevoel, omdat hij niet van zijn leven maakt wat ieder normaal mens van zijn leven maakt. Hij denkt ook dat hij misschien wel schuld heeft aan Najoua’s anorexia. Maar hij heeft wel één ding: hij is niet ongelovig.’

Toch speelt religie niet echt een grote rol in de roman.
‘Dat heb ik natuurlijk een beetje expres zo gedaan, in verband met Knielen. Ik wilde niet dat dát zijn grote worsteling is. Maar hij heeft aangenomen dat God er is, dat God hem zal opvangen en de laatste bladzijde getuigt daar ook van. Dus religie is niet afwezig in deze roman.
Het hele boek is ook een zoektocht naar puurheid en het ongerepte. Marc is een pure jongen. Hij wil heel blijven en volledig mens worden. De andere personages zijn allemaal mensen die dienst moeten doen op zijn weg in het leven opdat hij een volledig mens wordt. Maar de rector verraadt hem, het meisje blijkt ziek te zijn en zijn vriend Wim laat hem in de steek. Dus hij mislukt en hij maakt zichzelf uiteindelijk kapot.’

Klassieke helden
Zowel de hoofdpersoon van Knielen als die van Suezkade is een buitenstaander. Ziet u het buitenstaanderschap als een ideaal?
‘Ja. Je wilt je toch onderscheiden van andere mensen om je heen, net iets anders doen. En de buitenstaander is in staat om de waarheid te vinden. Ik ben ook zelf een beetje een buitenstaander. Het is nodig om een goede schrijver te zijn, want als je jezelf helemaal vereenzelvigt met de gemeenschap en aan alles meedoet, kun je het niet goed observeren en begrijpen. Ik overzag altijd de hele lerarenkamer. Ik zag altijd alles gebeuren. Ik weet nog allerlei gekke details waarvan een aantal ook in het boek staat. Ik sta van nature buiten het spel, ik doe dan zogenaamd mee, maar tegelijkertijd ben ik toeschouwer. Dat was al zo voordat ik schreef, denk ik.’

Wat is uw drijfveer om te schrijven?
‘Ik wil een heel mooi boek schrijven waarin ik iets oproep, iets laat zien. Ik wil iets tonen, namelijk hoe het er op díe school in het boek aan toe ging. Ik heb geen boodschap of zo. Misschien een beetje dat ik niet gelukkig ben met het huidige onderwijs, maar dat is volstrekt secundair. Ik wil maar één ding: ik wil een klassieke held en een klassieke heldin scheppen. En ik wil dat over vijftig of honderd jaar mensen nog steeds over hen praten. Daar gaat het me om.’

Hebben uw laatste twee boeken die klassieke held gemeen?
‘Ja. Een klassieke held kan alleen maar een klassieke held worden als hij grenzen overschrijdt. En een roman wordt pas interessant als de hoofdfiguur grenzen gaat overschrijden. Als hij keurig binnen de paden van alle bourgeoisregels blijft, dan kun je het boek wel weggooien, want dan is het wit op wit. In deze boeken worden grenzen overschreden en dan krijg je een verhaal dat de diepte ingaat. En misschien wel iets zegt over ons menszijn of onze beweegredenen.’

Hoe nu verder na Suezkade?
‘In mijn oeuvre zie je twee lijnen: het ene soort boeken gaat over familie, afkomst, mijn vader en moeder, de religie, de andere lijn is het onderwijs, mijn docentschap. Die familielijn is uitgelopen op Knielen op een bed violen en al het schoolgedoe is uitgelopen op Suezkade. En nu ben ik helemaal klaar.
Je kunt ook zeggen dat het twee stromen in mijn hele leven zijn en die heb ik vormgegeven in deze boeken, die beide een eindpunt zijn. Ik ben heel bang om daar opnieuw aan te komen, elk woord over die onderwerpen is nou een beetje ridicuul.’

En nog eens een historische roman zoals Margaretha schrijven?
‘Ja, dat zou ook nog wel een mogelijkheid zijn, hè? Margaretha vind ik persoonlijk een heel mooi boek. Maar ik zie erg op tegen het onderzoek dat zo’n roman vraagt. Voor mijn andere boeken doe ik nooit onderzoek namelijk. Dat zit in mijn hoofd. Ik kijk en dan vult het zich in mijzelf. Het is de verbeelding die aan het werk is, het is dus alleen een onderzoek in mijzelf. Maar ik zit wel vaak aan Jacoba van Beieren te denken. Het is een schitterende vrouw natuurlijk, die niet over zich heen liet lopen. Maar ja, je moet in de eerste plaats héél veel weten. En dan moet je alles loslaten, want dan moet je er een verhaal en een levende figuur van maken. Dat is echt heel moeilijk. Met Margaretha heb ik daar mee gevochten, hoor.
En je wilt steeds een nog beter boek maken. Dat kan niet altijd, maar je wilt dan een boek schrijven dat minstens zo mooi is als het vorige.’

Gehouden in september 2008, door Jacandra van den Broek
Dit interview is eerder verschenen in het blad boek-delen (nummer 4, december 2008)

Share