Quissama. Een relaas van F. Springer

Quissama.jpg

F. Springer
Quissama. Een relaas
Querido, Amsterdam (1985)

De auteur
F. Springer, pseudoniem voor Carel Jan Schneider, werd geboren op 15 januari 1932 in Batavia. Zijn vader was daar leraar. Tijdens de Japanse bezetting van Nederlandsch-Indië viel het hele gezin uiteen: Carel Jan met zijn moeder en twee jongere broers kwamen in het kamp terecht, later zat hij zelfs alleen in een jongenskamp en zijn vader werd op transport gezet om aan de Burma-spoorlijn te werken. Toch kwamen ze er allemaal heelhuids vanaf, en in 1946 repatrieerde het gezin naar Nederland.
Schneider maakte eerst het gymnasium af in Den Haag en studeerde vervolgens ‘met lichte walging’ Recht in Leiden. In zijn studententijd schreef hij in het zogenaamde kappersblad De Uitkijk verhalen, die door hemzelf later tot vingeroefeningen zijn bestempeld.
In 1958 vertrok hij als bestuursambtenaar naar Nieuw-Guinea, waar hij op posten belandde als Hollandia, Fakfak, Kokonao en de Baliemsvallei. Terug in Nederland deed hij in 1963 examen voor de Buitenlandse Dienst:
Schneider begon zijn diplomatieke carrière in New York, als tweede handelssecretaris, daarna volgden Bangkok, Brussel en Dacca. Van 1974 tot 1977 werkte hij op Buitenlandse Zaken in Den Haag, maar daarna is hij weer naar het buitenland vertrokken. Tot de komst van Khomeiny was Teheran zijn standplaats, in 1979 werd hij de eerste Nederlandse ambassadeur in Angola en na een periode als permanent vertegenwoordiger van Nederland bij de Raad van Europa in Straatsburg werd hij in 1985 ambassadeur in de toenmalige D.D.R.
Schneider is getrouwd en vader van twee kinderen. Sinds 1989 is hij gepensioneerd en fulltime schrijver.

Zijn debuut als schrijver maakte hij officieel in 1958 met het verhaal ‘Een eskimo op het dak’. Zijn eerste verhalenbundel, Bericht uit Hollandia, verscheen in 1962 bij uitgeverij Stols/Barth die vlak daarna failliet ging. In New York kreeg Springer van Querido te horen dat ze hem ‘uit de failliete boedel van Stols hadden geplukt’. Geen bemoedigend begin van zijn schrijverscarrière.
Het heeft een kleine twintig jaar geduurd voor Springer in bredere kring bekendheid kreeg. Na het toekennen in 1982 van de F. Bordewijkprijs voor de roman Bougainville (1981) groeide de publieke belangstelling voor al zijn werk gestaag.
Ander werk: Tabee New York (1974), Sterremeer (1990), Teheran, een zwanezang (1991), Bandoeng-Bandung (1993) en Kandy (1998).

Korte inhoud
Zakenman Charles Enders moet voor zijn bedrijf naar het pas zelfstandig geworden Angola, om daar van de regering een aantal orders voor landbouwwerktuigen los te krijgen. In de hoofdstad Luanda wordt hij opgewacht door zijn tegenpool, King Velderman. Enders ontdekt al snel dat de gelukszoeker King fascinerend kan vertellen, onder andere over zijn internationale verleden. Met name de verhalen over Pauline, Kings zeer knappe, in Marseille wonende vrouw, trekken Enders’ aandacht. Enders vergeet zijn zakelijke opdracht helemaal.
Het verhaal bereikt een hoogtepunt als King en Enders naar het wildpark Quissama gaan om naar olifanten te kijken. Met gids en een kennis van King en diens gezelschap maken ze in Quissama een safari te voet. Tijdens een korte pauze rent King plotseling een steile berg af en verdwijnt uit het zicht. Even later vinden ze hem terug vlakbij de rivier, waar ook een kudde olifanten verschijnt. Doordat King roept en zwaait, stormen enkele olifanten op hem af omdat ze in hem een gevaar zien. Hij heeft al zijn botten gebroken maar is nog niet dood en hij wordt zo snel mogelijk naar een ziekenhuis gebracht, maar hij overleeft het toch niet. Enders keert terug naar Kings huisje en probeert zijn nabestaanden op te sporen, maar dan blijkt hij die helemaal niet te hebben. Ook Pauline bestaat niet. De foto in Kings huis blijkt van een Franse actrice te zijn. Het boek eindigt dan met een snel schrijvende Enders: “Steeds sneller schreef ik, want alles moest worden vastgelegd voordat er iemand binnenkwam om te beweren dat Pauline, King Velderman en ik zelf nooit hadden bestaan.”

Personages
Charles Enders is een wat oudere zakenman, die vlak voor zijn pensioen zit. Zijn baas stuurt hem echter nog een keer naar Angola om de successen, die hij eerder in Brazilië heeft behaald, daar nog eens ter herhalen. Hij raakt helemaal gefascineerd door King Velderman en vergeet zijn opdracht al snel, net als zijn vrouw overigens. Hij heeft alleen nog het verlangen de verhalen van King op te schrijven. Hij is een rond karakter, want hij maakt een ontwikkeling door van redelijk burgerlijke en succesvolle zakenman naar iemand die zijn gezinsleven en carrière totaal niet meer belangrijk vindt.
King Velderman is een avonturier die bijna de hele wereld heeft rondgereisd. Hij is van ongeveer dezelfde leeftijd als Enders. Hij is een begenadigd en gepassioneerd verhalenverteller, maar naar later blijkt van verzonnen verhalen. Hij loopt ook graag te koop met wat hij allemaal kan en weet en zijn overmoed wordt hem fataal. Hij is een rond karakter want hij ontwikkelt zich van levenslustige man naar iemand die de zin van het leven niet meer inziet.

Structuur en tijd
Het verhaal heeft haast de vorm van een raamvertelling. Het verhaalheden, zeg maar het kaderverhaal, duurt ongeveer een maand (voor die periode heeft Enders een visum gekregen). Het wordt chronologisch verteld, met enkele terugblikken, bijvoorbeeld naar het feestje waar King Enders heeft geholpen. Binnen het kaderverhaal vertelt King zijn verhalen uit het verleden, die enkele tientallen jaren bestrijken. Hier is de vertelde tijd niet chronologisch en wordt er regelmatig gebruik gemaakt van versnelling of verdichting. Het kaderverhaal speelt zich af aan het begin van de jaren tachtig. Een concrete tijdsaanduiding wordt bijvoorbeeld gegeven als King is overleden en Enders wil weten of Joao iets weet, en hem verteld wordt: “Joao weet niets, sir. Hij kwam pas in ’79 bij senhor Velderman in dienst.”
Er is geen indeling in hoofdstukken, enkel witregels die een overgang in tijd aangeven.
Het verhaal wordt in de verleden tijd verteld, wat er op duidt dat het allemaal al is gebeurd. De opbouw van het verhaal zit strak in elkaar waardoor er een sprake is van een goede spanningsboog. Er worden bovendien telkens subtiele vooruitwijzingen gegeven naar de afloop van het verhaal. De hechte structuur van het verhaal wordt ook duidelijk in de parallellen die er lopen tussen de verhalen van King onderling en naar het kaderverhaal toe. Zo wordt de dood van King in het park al voorspeld door het afschuwelijke einde van Eduardo en Donna Monica. Dat de tocht naar de olifanten van King, Enders, de Belgische kennis en diens twee vriendinnen op een ramp zou uitlopen, kon al vermoed worden na de gebeurtenissen in Angkor Vat, waar King en zijn vriend Grillet ook van het doel van hun tocht worden afgehouden door twee vrouwen.

Ruimte
De belangrijkste plaatsen waar het verhaal zich afspeelt zijn Luanda, de hoofdstad van Angola (voornamelijk in het huis van King Velderman) en het wildpark Quissama. Dit park doet King aan vroeger denken en geeft hem een goed gevoel. Het klimaat is tropisch: het is altijd warm en vochtig. Dit zorgt voor een broeierige sfeer.

Vertelsituatie en perspectief
Er is sprake van een ikverteller. Het perspectief ligt daardoor voortdurend bij één personage, Charles Enders. De gedachten van de andere personages komen we dus niet te weten. Enders vertelt zijn verhaal bovendien achteraf, er is dus sprake van een achteraf vertellende ik.

Thematiek
Quissama gaat over de betekenis van het schrijven/ verhalen vertellen en, in het verlengde daarvan, over de verhouding tussen de verbeelding en de werkelijkheid. Zowel Enders als King probeert de werkelijkheid te ontvluchten door zich geheel over te geven aan de verbeelding. King doet dit door het vertellen van zijn verzonnen verhalen waar hij zelf in gaat geloven. Enders schrijft die verhalen op omdat hij er meer waarde aan hecht dan aan de werkelijkheid. De overeenkomst tussen beide mannen is groot, zowel de vertellende King als de schrijvende Enders denkt alleen nog te bestaan in de fictieve werkelijkheid. In de laatste regels van het boek wordt het schrijven een kwestie van bestaan of niet bestaan.

Motieven en symboliek
Het dubbelgangermotief speelt in Quissama een belangrijke rol. Je vraagt je af in hoeverre King en Enders een en dezelfde persoon zijn. De beschrijving die King aan het begin van het verhaal van Enders geeft als hij hem observeert op het vliegveld is ook, in ieder geval gedeeltelijk, van toepassing op hemzelf. Ook in hun drang om te vertellen en te schrijven zijn ze elkaars evenbeeld, net als in hun vlucht voor de werkelijkheid in de droom. Enders benadrukt zelf ook telkens weer de gelijkenis tussen hem en King.
Een ander motief is dat van het drinken. De whisky vloeit rijkelijk. Het drinken van alcohol staat symbool voor vluchten uit de werkelijk. Er wordt dan ook vooral gedronken tijdens het verhalen vertellen van King.
Tot slot is er nog het motief van de verzonnen liefde, die bovendien veel mooier is dan de werkelijke. Immers in werkelijkheid is King door zijn vrouw verlaten. Dit motief krijgt gestalte in de persoon van Pauline, die voor hem de ideale vrouw is.

Titelverklaring en motto
Quissama speelt zich af in Angola. Het hoogtepunt van het verhaal beleven de personages in het nationale wildpark van dat land, Quissama, dat voluit Parque Nacional de Quissama heet. De ondertitel ‘een relaas’ doet wat zakelijk aan, maar na lezing blijkt dit niet terecht. Het verwijst naar de vorm van zowel de almaar vertellende King als de almaar schrijvende Enders.
Het motto is van de Franse schrijver Romain Gary: “Tu ne peux pas aimer une femme, un homme, sans les avoir d’abord inventés”. Wat zoveel betekent als dat je niet van een vrouw of een man kunt houden, zonder ze eerst verzonnen te hebben. Dit geldt voor de personages in Quissama: de auteur zal pas van ze houden, nadat hij ze verzonnen heeft, dan komen ze pas tot leven. Pas na lezing van Quissama begrijp je de strekking van dit motto ten volle. King houdt van zijn vrouw Pauline, maar zij blijkt helemaal niet te bestaan. Zo bezien lijkt er een omkering in het motto te zitten, namelijk je kunt niet van iemand houden die werkelijk bestaat, alleen van iemand die uit je verbeelding is voortgekomen. In die zin sluit het motto aan bij de thematiek van het boek.

Schrijfstijl
Springer schrijft in gewoon Nederlands zonder ingewikkelde zinsconstructies. Hij schrijft glashelder en toch heel levendig. Zijn stijl heeft ook een ironische ondertoon: zo weet Enders bijvoorbeeld voor zichzelf goed te relativeren dat hij een geslaagd zakenman is. Springer beschrijft op documentaire wijze over de plaatsen waar hij zijn verhalen situeert, zijn observaties zijn nauwkeurig en gebaseerd op zijn eigen verblijf in de landen waar hij als diplomaat werkte.

Discussievragen
1) Waarom wil King zo graag naar Quissama?
2) Denkt u dat Kings dood door hem gewild of een ongeluk is? Waarom?
3) Onder het kopje ‘Motieven en symboliek’ wordt het dubbelgangermotief genoemd. Welke aanwijzingen kunt u vinden voor het feit dat King en Enders dezelfde persoon, of een afspiegeling van dezelfde persoon zijn?
4) Hoe zou u de ondertitel van de roman (‘een relaas’) uitleggen?
5) Hoe belangrijk voor het verhaal is het dat het zich in Angola afspeelt?
6) Hoe waardeert u de schrijfstijl van Springer?
7) Op welk moment had u door dat Kings verhalen verzonnen waren?
8) Voor wie van de personages voelde u de meeste sympathie? Hoe verklaart u dat?

Share