Beschouwing over het werk van Rascha Peper (boek-delen essay*)
'Stille wateren en sluimerende hartstochten'
Jacandra van den Broek
In 2005 valt Rascha Peper de eer te beurt dat Gerrit Komrij haar net verschenen novelle Verfhuid (2005) behandelt in zijn rubriek in Vrij Nederland, waarin hij wekelijks een literaire reputatie kraakt. Hij haalt een interview aan waarin Peper had gezegd 'Ik zit een beetje buiten het literaire circuit. Toch voel ik me wel degelijk in een traditie wortelen, een traditie van vertellers. Dat is een traditie waarop ik graag voortborduur.' Komrij laat na om de precieze bron te vermelden, het blijkt te gaan om een interview met Coen Peppelenbos (Tzum 2, 1999). Vervolgens zet Komrij zijn kraakaanval in: 'Alsof ze het zelf bedacht heeft. Vertellen, vertellen. (...) Een romanschrijver die vertelt, is net zo bijzonder als een zebra met strepen.' Voor het gemak laat Komrij buiten beschouwing wat aan deze uitspraak van Peper voorafgaat. Peppelenbos vraagt haar naar de zuinige ontvangst van haar boeken in de pers, en of er in het algemeen niet vaak een dédain is voor verhalende literatuur. Peper constateert dat haar werk inderdaad altijd hooguit aardig wordt bevonden, maar nooit echte literatuur. Dus in de ogen van de critici zit zij net een beetje buiten het literaire circuit, maar Peper plaatst zich zelf in de traditie van 'vertellers als Elsschot, Bordewijk en de oude Russen'. Absoluut geen schrijvers die zomaar wat vertellen. Komrij ziet haar niet in die traditie wortelen, want de kern van zijn betoog is:
Of een romanschrijver al vertellend iets hééft te vertellen is een tweede.
Er is niets tegen zomaar wat vertellen, de leeskringen zijn hongerig en de vrije tijd vloeit rijk, maar wat vertellen tot literatuur maakt, is - hoe zeg ik het zo laagdravend mogelijk - een innerlijke noodzaak, een wereldbeeld. De rechtvaardiging van onze nieuwsgierigheid. De motor achter de vertelkracht. (Vrij Nederland, 5 november 2005)
Volgens Komrij valt Peper onder de schrijvers die zomaar wat vertellen, zonder dat ze iets te vertellen hebben, voor wie vertellen een doel vormt, geen middel. En hij bespreekt vervolgens Verfhuid.
Heeft Komrij gelijk? Is hij tot deze conclusie gekomen op basis van alleen Verfhuid? Peper heeft naast deze novelle meerdere werken op haar naam staan, aan Verfhuid zijn twee verhalenbundels en zes romans voorafgegaan. Uit die boeken spreekt weliswaar geen streven naar literaire vormexperimenten, en het zijn geen strak gestructureerde, intellectuele romans. Het zijn verhalende boeken met een sterke plot, boeiende karakters en sfeervolle details. Maar zou daar geen enkel wereldbeeld uit spreken? Wat heeft Peper te vertellen?
Er zijn enkele zaken die in het oog springen in het oeuvre van Rascha Peper. Dat zijn haar keuze voor het mannelijke perspectief, de passie van haar personages, niet zelden gericht op te verzamelen objecten, het motief water, en het feit dat haar personages vaak eenlingen zijn. Aan de hand van deze onderwerpen wordt bekeken wat de motor is achter Pepers vertelkracht.
Van autobiografisch naar mannelijk perspectief
Rascha Peper (geboren in 1949 als Jenneke Strijland) debuteerde in 1990 met de verhalenbundel De waterdame. Daarvoor had ze al een eerste versie geschreven van de roman Oesters, die in 1991, grondig herschreven, verscheen. Pas nadat ze in 1983 naar Wenen was verhuisd vanwege het werk van haar partner, die in dienst was van het ministerie van Buitenlandse Zaken, begon ze serieus werk te maken van het schrijven. In de Weense periode van vier jaar werd de ziekte van Hodgkin bij haar geconstateerd. Deze autobiografische gegevens zijn terug te vinden in de roman Oesters. Hierin speelt een verhouding tussen een twintigjarige vrouw en een zestigjarige man een rol. Ook in het korte verhaal `Meeuwen' uit de bundel De waterdame speelt dit gegeven. Behalve in haar latere columns voor NRC Handelsblad, gebundeld in Stadse affaires (2006), heeft Peper zich nadien nooit meer aan het autobiografische schrijven gewaagd. Zij zei daarover in een interview met Machteld Stilting: `Oesters ging heel erg over mezelf. Dat vond ik toch een beetje eng. Ik wilde écht iets verzinnen. Fictie. Een goed verhaal dat niet met mezelf te maken heeft' (Boek, oktober/november 2005).
Vervolgens schreef Peper vier novellen, die werden gebundeld in Oefeningen in manhaftigheid (1992). Niet alleen liet ze hierin het autobiografische los, maar ook het vrouwelijke perspectief: in de meeste verhalen uit De waterdame en in Oesters worden de gebeurtenissen nog verteld vanuit een vrouw. De vier novellen echter waren voor haar een oefening om vanuit een man te schrijven. Dat beviel zo goed dat ze er niet meer (geheel) van terug is gekomen.
Het mannelijke perspectief zien we dan ook opnieuw in haar eerstvolgende roman, Rico's vleugels (1993), die inzicht geeft in de gevoelens van de oudere schelpenverzamelaar Eduard Rochèl voor de tiener Rico. De schrijfster weet daarin zo goed in de huid te kruipen van beide mannelijke personages, dat ze voor deze roman genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs 1994. De jury daarvan schreef in haar rapport onder andere: `Peper heeft een fascinatie voor stille wateren en sluimerende hartstochten'.
Na Rico's vleugels schreef ze Russisch blauw (1995), over de twintiger Lex Grol, wiens leven wordt beheerst door zijn fascinatie voor de Russische tsarenfamilie Romanov. In 1996 kreeg Peper de Multatuliprijs voor deze roman. En hoewel ze in Een Spaans hondje (1998) aanvankelijk meer ruimte wilde geven aan enkele vrouwelijke perspectieven, draait ook dit boek hoofdzakelijk rond drie broers. In het interview met Machteld Stilting zegt de schrijfster daarover:
Met Een Spaans hondje was het mijn bedoeling om drie broers met hun vrouwen neer te zetten. Ieder met een eigen perspectief. Toen ik eenmaal op gang was, dacht ik: die vrouwen krijg ik nooit voor elkaar. Twee van die vrouwen vond ik zo oninteressant, die werden niet van vlees en bloed. Ik heb vaak moeite met het vrouwelijke perspectief. Misschien komt het omdat ik die afstandelijkheid van het mannelijke perspectief wel prettig vind. (Boek, oktober/november 2005)
Toch is er in deze roman wel ruimte voor een enkele zijsprong naar een vrouwelijk gezichtspunt. Een van de drie vrouwen van de broers, keramiste Pleuntje, is wel interessant genoeg en kreeg een eigen stem.
In Dooi (1999) beperkt Peper zich tot de gedachten van één man, Ruben Saarloos, die met zijn woonboot vast komt te zitten in het ijs op het IJsselmeer.
Tot dan toe verschenen haar boeken met een zekere regelmaat, maar na Dooi liet Peper haar lezers langer wachten op de volgende roman, Wie scheep gaat (2003). In 2000 werd ze namelijk getroffen door een lichte beroerte, waarover ze nadien schreef in haar column in NRC Handelsblad. Dit gebeurde tijdens haar verblijf van twee jaar in New York. Wie scheep gaat springt er in haar oeuvre wat omvang betreft echt uit. Ze richt zich in deze dikke roman op vijf perspectieven, waaronder één vrouwelijk, dat van het tienermeisje Emma. Voorlopig is dit naast Pleuntjes blik in Een Spaans hondje de enige keer na Oesters dat Peper niet alleen voor de afstandelijkheid van het mannelijke gezichtspunt kiest, want ook het meest recente Verfhuid (2005) wijkt niet af. In deze novelle kruipt ze in de huid van de kunsthandelaar Arnold Kee, die geïntrigeerd raakt door een excentrieke verzamelaar met de naam Terwindus.
Rascha Peper is op het aanvankelijke autobiografische schrijven vanuit een vrouw niet meer teruggekomen, en heeft een sterke voorkeur ontwikkeld voor het voor haar meer afstandelijke mannelijke perspectief. Hoewel ze haar verblijf in New York bijvoorbeeld wel in Wie scheep gaat heeft verwerkt, is dit niet op een autobiografische wijze gebeurd, het gaat hier alleen om beschrijvingen van de stad. Peper put dus geen inspiratie voor haar onderwerpen meer uit haar eigen leven, maar doet dat - zoals zij menigmaal in interviews en lezingen heeft verteld - uit krantenberichten. Ze is een verwoed verzamelaar van knipsels die om de een of andere reden haar aandacht hebben getrokken, met het oog op onderwerpen voor haar romans. Met een dergelijke, vaak nog heviger, verzameldrift zijn veel van haar personages eveneens behept.
Personages met een passie
De inhoud van deze paragraaf is te lezen in boek-delen essays 2*. Rico's vleugels, Verfhuid en Russisch blauw staan hierin centraal.
Door water (en stilte) omsloten
De inhoud van deze paragraaf is te lezen in boek-delen essays 2*. Russisch blauw, Verfhuid en Wie scheep gaat staan hierin centraal.
Eenlingen versus de rest
De inhoud van deze paragraaf is te lezen in boek-delen essays 2*. Dooi en Verfhuid staan hierin centraal.
Pepers wereldbeeld
De inhoud van deze paragraaf is te lezen in boek-delen essays 2*.
* Boek-delen essays is een uitgave van Biblion en te verkrijgen in de boekhandel. In boek-delen essays 2 (ISBN 97890 54838173) staan vijf beschouwingen over het werk van Esther Gerritsen, Rascha Peper, Jan Siebelink, Tommy Wieringa en Henk van Woerden.
Bibliografie
besproken boeken
Russisch blauw. Amsterdam: L.J. Veen, 1995. Citaten zijn ontleend aan de derde druk.
Rico's vleugels. Amsterdam: L.J. Veen, 1993. Citaten zijn ontleend aan de zevende druk, 1996.
Alle verhalen. Amsterdam: L.J. Veen, 1997.
Wie scheep gaat. Amsterdam: L.J. Veen, 2003.
Verfhuid. Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2005.
Vingers van marsepein. Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2008.
gebruikte literatuur
Judith Koelemeijer, `Niet huilen achter de tikmachine'. In: de Volkskrant, 8 augustus 1997.
Coen Peppelenbos, `Oh god, het is toch geen magisch-realisme'. In: Tzum 2, (1999) 7 (www.coenp.concepts-ict.nl/peperi.htm).
Machteld Stilting, `Ik voel weerzin tegen typisch vrouwelijke onderwerpen'. In: Boek, nr. 2, jaargang 5, oktober/november 2005.
Gerrit Komrij, `Reputaties'. In: Vrij Nederland, 5 november 2005.
Interviews en recensies uit dag- en weekbladen zijn te vinden in het bestand LiteRom, uittreksels van enkele van de besproken boeken zijn te vinden in het bestand Uittrekselbank. Beide bestanden zijn in de openbare bibliotheek aanwezig.