Verbanning en censuur in André Brinks Kennis van die aand

Kennis van die aandVerbanning en censuur in
André Brinks Kennis van die aand

De roman Kennis van die aand (1973) van de blanke Zuid-Afrikaan André Brink werd in 1974 als eerste Afrikaanstalige roman verboden door het Zuid-Afrikaanse censuurlichaam, de Publikasieraad. Het hoger beroep dat meteen tegen dit verbod werd aangetekend, mocht niet baten. Pas veel later, in 1981, zal het verbod opgeheven worden door de Publication Appeal Board onder voorzitterschap van Prof. J.C.W. van Rooyen. Het onderwerp censuur wordt in de roman Kennis van die aand zelf gethematiseerd. Eveneens speelt verbanning een rol in het boek.
banner-Schrijversdossier-terug-naar-Andre-BrinkIn dit essay wordt een beeld geschetst van de manier waarop beide onderwerpen worden gethematiseerd, te beginnen met de verbanning, waarna het verband tussen dit thema en Brinks leven gelegd zal worden. Ten tweede zal worden ingegaan op de thematisering van de censuur, waarna aan de hand van de beslissingen van de verschillende Appèlraden bekeken wordt wat er in werkelijkheid met de roman gebeurd is, zodat kan worden vastgesteld in hoeverre hetgeen gebeurt in de roman met betrekking tot censuur voorspellend van aard is. Om te beginnen wordt er een inleidend overzicht gegeven van Brinks ervaringen met en ideeën over censuur en verbanning.

BRINK IN RELATIE TOT VERBANNING EN CENSUUR
Het is interessant om Brinks ervaring met en ideeën over verbanning en censuur toe te lichten, alvorens de thematisering van deze onderwerpen in de roman Kennis van die aand te schetsen.

Verbanning
Brink is zelf nooit een ware banneling geweest. Hij is van 1959 tot 1961 wel vrijwillig in Parijs gaan wonen om, naar zijn zeggen, Zuid-Afrika van een afstand te kunnen bekijken en zo de apartheid in vraag te stellen door het met iets anders te vergelijken.1 Hij kreeg door zijn verblijf in Parijs nieuwe inzichten waarvan hij na zijn terugkeer naar Zuid-Afrika in 1961, eerst niet wist wat hij ermee aan moest. Tijdens de daaropvolgende periode was zijn werk existentialistisch van stijl en inhoud. Pas in de periode na 1967, toen hij opnieuw in Parijs ging wonen, besefte hij dat hij verder moest gaan en zijn Afrikaanse oorsprong moest aanvaarden. In 1968 wist hij ineens dat zijn Afrikaanse wortels zijn kostbaarste bezit waren en dat hij wilde terugkeren naar Zuid-Afrika. Hij wist ook dat zijn toekomstige werk politiek geladen zou zijn en dat dat gevaren op zou leveren, maar zijn besluit stond vast om terug te keren en om, zoals hij het zelf zegt, de volle verantwoordelijkheid voor zijn werk op zich te nemen.2
Hier eindigt voor Brink dan de periode van buiten Zuid-Afrika wonen. Later zal hij ook nooit op zijn beslissing om vanuit Zuid-Afrika te willen schrijven, terugkomen, hoe moeilijk de overheid het hem ook gemaakt heeft. Brink in een interview met B. Elnadi en A. Riraat:

“Ik had almaar nauwere banden met de zwarten en de toon van de boeken en artikels die ik in de jaren ’70 publiceerde, werd steeds kritischer. Dat trok de aandacht van de politie. Ik en mijn gezin werden voortdurend in het oog gehouden. Overal werden we gevolgd, zelfs in het buitenland. Dat was een bittere pil. Maar omdat ik het land niet wou verlaten, heb ik me erbij moeten neerleggen. Mijn huis werd verscheidene keren doorzocht, mijn nota’s, mijn manuscripten en mijn brieven werden in beslag genomen. Ze namen zelfs mijn schrijfmachine mee, alleen maar om het me moeilijk te maken.” (mijn cursivering).3

Hij is nooit een ware banneling geweest, hoewel hij wel het risico heeft gelopen dat hij niet meer terug mocht keren naar zijn vaderland, in de periode vlak voordat hij voorgoed terugkeerde.

“Op het einde van 1968 kwamen enkele Zuidafrikaanse politici en journalisten me in Parijs opzoeken. Ze waarschuwden me dat als ik nog veel langer in Europa zou blijven, ik niet meer zou kunnen terugkeren. De overheid was op de hoogte van alles wat ik dat jaar in Parijs geschreven had. Sommige artikels van me waren zelfs in Zuid-Afrika verschenen, waar ze scherpe kritiek te verduren hadden gekregen.” 4

Censuur
Na zijn definitieve terugkeer uit Parijs kreeg Brink voor het eerst te maken met de censuur in Zuid-Afrika. In 1973 werd zijn roman Kennis van die aand gepubliceerd en kort daarop door de Publikasieraad verboden. Kennis van die aand is de eerste roman die Brink geschreven heeft na zijn terugkeer en het is een politiek geladen werk. Brink noemt deze roman “een soort nieuwe geboorte” in een gesprek met Hans Neervoort.5 Het boek luidt dus een ommekeer in zijn werk in.
Kennis van die aand is de eerste in het Afrikaans geschreven roman die in Zuid-Afrika verboden werd. De uitgever ging tegen dit besluit in beroep, maar het verbod werd gehandhaafd op grond van artikel 5 (2)(b) van de Wet op Publicaties van 1963: het boek werd geacht mogelijk aanstootgevend te zijn voor de religieuze gevoelens van een bevolkingsgroep. Als antwoord op het verbod schreef Brink een Engelse versie, Looking on Darkness. Maar ook deze versie werd verboden in Zuid-Afrika en in 1980 werd het boek nogmaals ongewenst verklaard op religieuze gronden.
Nadat zijn uitgevers ander werk van hem weigerden te aanvaarden omdat Kennis van die aand verboden was verklaard, richtte Brink een eigen uitgeverij, Taurus, op, samen met drie andere schrijvers. Bij deze uitgeverij konden zijn boeken per post worden besteld. Door te werken met intekenlijsten kon de censuur worden omzeild, omdat in Zuid-Afrika sprake is van een censuur achteraf. Dus voordat een nieuw boek aan de censuurcommissie werd voorgelegd, hadden al duizenden mensen het boek in huis. In deze methoden zag Brink “een manier om de aandacht te vestigen op de gevolgen van de strakke censuurwetten en een middel om op een andere wijze zijn lezers te bereiken. Hij zegt dat de uitgevers en drukkers erg afkerig zijn van het werk wier boeken vroeger werden verboden, zodat auteurs vaak tot zelfcensuur worden gedwongen.” 6 Over zichzelf zegt Brink in een ander artikel dat hij zich nog nooit heeft kunnen betrappen op het toepassen van zelfcensuur.7 Hij geeft toe dat zelfcensuur op den duur misschien onvermijdelijk zou zijn als hij alleen in het Afrikaans zou schrijven. Maar omdat hij ook in het Engels schrijft, hoeft hij zich geen zorgen te maken om het behoud van zijn lezers en daarom kan hij aan zelfcensuur ontsnappen. Maar hij denkt overigens in 1988 dat niet veel Zuid-Afrikaanse schrijvers in belangrijke mate met het probleem van zelfcensuur worstelen, want schrijvers genieten een veel grotere vrijheid van publicatie dan tien jaar daarvoor.
Bij deze grote vrijheid zet Brink wel zijn vraagtekens, omdat de repressie in het land juist erger is geworden:

“Normaal is een verlichting van de censuur een betrouwbare barometer voor de ontwikkelingen in de rest van een samenleving. De tragiek van Zuid-Afrika is dat daar het tegendeel geldt. Waar het literaire product nu zonder problemen kan worden gepubliceerd, is de repressie scherper dan ooit te voren.” 8

Hoewel Kennis van die aand in 1981 uiteindelijk is vrijgegeven door de Appèlraad, blijkt Brinks blijvende scepticisme uit de opmerking die hij maakt in De Standaard: “‘Dis nog altyd dieselfde boek. En dis nog dieselfde wet. Wat, vra jy jou af, het dan verander?'” 9 In een interview met Ko van Harn in De Tijd zegt hij dat de autoriteiten gewoon slimmer worden, ze willen de nodige steun van buitenlandse bondgenoten niet verspelen door hardhandig tegen schrijvers op te treden, ze blijven hen echter intimideren:

“Nou zijn mijn boeken officieel niet langer verboden maar de veldtocht tegen mij gaat onverminderd door. Elk telefoontje kan worden afgeluisterd, elke brief geopend, ik word dikwijls gevolgd als ik op reis ga, ik word nog steeds geïntimideerd, het leven is nog steeds niet aangenaam, maar dat weet je als je de keuze hebt gemaakt protesterend te schrijven.”10

Naast Kennis van die aand was Brinks roman ‘N droe wit Seisoen (1979) een tijdje verboden in Zuid-Afrika, maar met dit laatste boek heeft hij voor het verbod al tweeduizend lezers weten te bereiken door verzending per post, via de uitgeverij Taurus. Het kenmerkt Brinks houding ten opzichte van censuur, hij is altijd volhardend gebleven in zijn strijd tegen de overheid en de censuurwetten.

THEMATISERING VAN VERBANNING EN CENSUUR IN DE ROMAN
Niet alleen in het leven van Brink hebben verbanning en censuur een rol gespeeld, hij heeft beide aspecten ook een plaats gegeven in de roman Kennis van die aand. Om te beginnen zal geschetst worden hoe verbanning in de roman gethematiseerd wordt en wat het verband is met Brinks ervaringen.

Verbanning
Op de eerste bladzijde van de roman wordt al een aanwijzing gegeven over de relatie, die Joseph, de hoofdpersoon, heeft met zijn vaderland:

“Even when I know they are watching me through the peephole in the door it doesn’t upset me. I’m taking stock, over and over, of everything which, visibly and tangibly, has remained my own. These feet and knees and thighs, this vulnerable sex which seems to shrink from touch like a small scared animal, this pale brown belly and chest, these arms, these hands, each nail so intimately know; this face modelled under my fingertips. This is mine. This, at least, is the topography of that sad certainty which has been left to me.” (7) 11

Uit zijn woorden kan men Josephs afkerige houding ten opzichte van (vrijwillige) verbanning halen. Hij verwoordt hier zijn onlosmakelijke band met zijn vaderland. In de volgende paragrafen zal getracht worden dit te verduidelijken.
De ongewone situatie van Joseph wordt op deze eerste bladzijde reeds duidelijk. Letterlijk zit hij in de gevangenis wanneer hij zijn levensverhaal vertelt, en weet hij zich geobserveerd door de bewakers, zoals uit het citaat blijkt. Zijn huidige situatie kan naast deze letterlijke betekenis echter ook gezien worden als een symbolisering van zijn vroegere situatie. Waar hij nu letterlijk gevangen zit in een cel en geobserveerd wordt door bewakers, bevond hij zich vroeger in een onzichtbare ‘cel’ eveneens in de gaten gehouden door vertegenwoordigers van de overheid. Zijn keuze om een theatergroep op te richten en toneelstukken op te voeren die kritiek op het hedendaagse Zuid-Afrika bevatten, brengt hem namelijk de confrontatie met de overheid en de censuurwetten. In beide situaties weet hij zich geobserveerd, maar in beide gevallen trekt hij zich daar niks van aan en gaat hij gewoon door met zijn bezigheden.
Er is echter een verschil tussen de beide situaties; in de ogen van de buitenstaander had Joseph namelijk in de vroegere situatie, in de periode voor zijn arrestatie, de keuze om te emigreren, samen met Jessica, zodat hij vrij kon zijn in de liefde én in het toneelspelen. Voor Joseph zelf was emigreren echter geen reële optie. Voor hem is er met andere woorden geen verschil tussen de beide, hierboven geschetste, situaties. In geen van de twee gevallen is hij een werkelijk vrij man, want hij weet uit ervaring, door zijn verblijf in het buitenland, dat Zuid-Afrika hem (emotioneel) aan zich gebonden houdt. Zoals de cel waarin hij zich bevindt, hem op zijn plaats houdt en hem geen mogelijkheid biedt om te onsnappen, zo houdt Zuid-Afrika hem ook op zijn plaats, omdat het deel van hem uitmaakt, en het hem daarom dwingt om zich te engageren.
Hij zegt zelf (over zijn lichaam): “This is mine. This, at least, is the topography of that sad certainty which has been left to me.” (7). Deze woorden kunnen ook heel goed van toepassing zijn op zijn vaderland. Het gebruik van de aardrijkskundige term topography lijkt op het onvermijdelijke verband tussen zijn lichaam en zijn vaderland te duiden. De enige zekerheid die hij heeft, is dat hij zal sterven, voortijdig door de politiek van zijn vaderland. En hoe treurig het ook is, het is onvoorkoombaar. Zijn vaderland verlaten is voor hem net zo onnatuurlijk en onmogelijk als ontsnappen aan de dood.

Joseph heeft ervaren hoe het is om niet in Zuid-Afrika te wonen en te werken. Hij emigreert naar Engeland om daar zijn geluk als acteur te beproeven, maar niet zozeer met de bedoeling zijn vaderland voorgoed achter zich te laten, hoogstens om het even van een afstand te kunnen bekijken. Brink had dezelfde motivatie om naar Parijs te emigreren als Joseph; het avontuur van het andere land trok hem aan, en het was niet zozeer een ontsnappen aan Zuid-Afrika.
Joseph zorgt er overigens wel voor, als hij eenmaal in Engeland is, dat hij zich helemaal afzijdig houdt van alles dat met Zuid-Afrika te maken heeft door zich compleet op zijn theaterwerk te storten. Als hij echter de vrouw Beverley leert kennen, brengt zij hem juist weer in contact met Zuid-Afrikaanse mensen, veelal vluchtelingen. Joseph zegt:

“by that time I’d grown so far away from the country that it had been relegated to a coincidence in my life. It would never even have occured to me to return anymore: the theatre was all that mattered to me, and that was naturally identified with Britain and Europe. But as a result of her studies and her interests Beverley had a large group of South African friends, and she brought me back to them, initially much against my will. And long after we’d broken up they played a role in my life.” (169)

Ondanks dat Joseph geen deel wilde uitmaken van hun lot en hun geschiedenis en niet betrokken wilde raken bij ‘their cause’, speelt het contact met deze mensen toch een belangrijke rol in zijn leven. Met name het contact met een van hen, Simon Hlabeni.
Simon is anders dan de anderen omdat hij Zuid-Afrika niet om politieke redenen heeft verlaten, zoals de anderen van de groep, maar vanuit een drang om de wereld te zien. Simon had dus dezelfde motivatie als Joseph (en als Brink). Het verschil is echter dat Simon, toen hij op het punt stond om terug te gaan naar zijn vaderland, een blanke vrouw ontmoette met wie hij trouwde. Dit gemengde huwelijk maakte het voor hem onmogelijk terug te gaan. Later werd hij ook politiek actief binnen het ANC. Joseph zag hoe Simon tijdens die jaren wegkwijnde, omdat het voor hem niet meer mogelijk was om terug te keren. Simon is de eerste persoon die tegen Joseph zegt dat hij bij Afrika hoort en dat het een kwestie van tijd is voordat hij daar zelf achterkomt. Op een avond zegt hij Joseph, nadat hij hem een klap heeft gegeven, zonder omhaal waar het op staat: “‘You must go back, man. You’ve got nothing to do here. Leave it to people like me to stay here. You understand?'” (177). Over deze avond zegt Joseph:

“In as much as any change can be associated with a specific incident I suppose that night with Simon marked the turning point. But the only reason why it could influence me so deeply was that at that stage some other secret and subconscious progress had already developed far enough for me to become aware of it.” (182)

En hoewel er nog geen sprake is van een werkelijke ommekeer in Josephs denken, is het proces wel op gang gekomen. Het uiteindelijke besef van Simons gelijk komt toch nog heel onverwacht wanneer hij op een nacht plotseling wakker schrikt van een onweer. Hij denkt in een flits dat het oorlog is:

“Still holding on to the curtain I began to mumble aloud: quite incoherently, something like: ‘I want to get out. It’s your war, not mine. Why must I be caught in it?'” (188)

Hij weet dat hij terug moet naar Zuid-Afrika en dat hij niet langer kan vluchten in het toneelspelen in Engeland:

“it was I who could not play a significant role in any society but my own. (…) I had believed for so long that I’d liberated myself from my country that it came as a terrible shock to discover that I could not, in fact, survive without it. (…) Now I had to return to pick up the link with my prehistory again.” (189)

Josephs ervaringen met het aspect verbanning komen sterk overeen met die van Brink zelf. Ook Brink heeft tijdens zijn verblijf in het buitenland zijn band met Zuid-Afrika ontdekt. Ook hij raakte er van overtuigd dat hij slechts binnen Zuid-Afrika een belangrijke rol voor zijn land kon spelen en niet daarbuiten. Brink wist zich na zijn terugkeer net als Joseph steeds in de gaten gehouden door de overheid en gedwarsboomd in zijn creatieve productiviteit. Maar Brink heeft net als Joseph volgehouden om niet vrijwillig te emigreren om op die manier een banneling te worden. Hij zegt in 1976 tegen Adriaan van Dis:

“Je zou het een overactief geweten kunnen noemen, maar zolang een schrijver in zijn land mag wonen en niet als zoveel anderen hier verbannen is, moet hij de verantwoordelijkheid aanvaarden. Het zou net iets te gemakkelijk zijn om te emigreren en dan van buitenaf te beschuldigen.” 12

En precies dezelfde mentaliteit heeft hij aan zijn hoofdpersonage Joseph Malan toegeschreven:

“For their sake I couldn’t just turn back and flee: That was the illogical passion which kept me here. That, and the old stubbornness which refused to be mastered. I would stay on. After all, that was the only thing I could do. Free will was an overestimated concept.” (205)

Censuur
Het aspect verbanning zoals gethematiseerd in Kennis van die aand is een bekend onderwerp uit het leven van Brink zelf gebleken. Dit is ook het geval met het aspect censuur. Echter op een andere manier dan de verbanning. Waar de ‘vlucht’ naar het buitenland en het besluit om naar het vaderland terug te keren belangrijke gebeurtenissen in het persoonlijke leven van Brink hebben gespeeld, vóórdat hij Kennis van die aand heeft geschreven, hebben de gebeurtenissen in de roman met betrekking tot de censuur dit niet. Deze gebeurtenissen blijken pas ná het verschijnen van Kennis van die aand een rol te gaan spelen in het persoonlijke leven van de auteur. In die zin raken de gebeurtenissen het terrein van de voorspelling. En daarom is het interessant om te zien wat er omtrent het aspect censuur in de roman verteld wordt en wat er later met de roman zelf gebeurt. Op deze manier kan vastgesteld worden in hoeverre de roman voorspellend van aard is.

Gebeurtenissen in de roman
Om te beginnen zal geschetst worden wat precies de gebeurtenissen zijn die in de roman plaatsvinden. Daarna zal dit in verband worden gebracht met wat er met Kennis van die aand is gebeurd. In de roman kunnen de gebeurtenissen die met censuur te maken hebben ruwweg in drie onderdelen worden verdeeld. Het belangrijkste en meest omvattende deel is dat waarin Joseph met zijn theatergroep in aanraking komt met censuur. Ten tweede is er de schrijver Richard Cole, wiens boeken verboden zijn en ten derde zijn er de verwijzingen die Joseph in het kaderverhaal maakt als hij in zijn cel zijn levensverhaal opschrijft. De laatste twee onderdelen houden allebei verband met het eerste; het een is er onderdeel van en het ander is een reflectie op de gebeurtenissen van Joseph en zijn theatergroep. Daarom zullen eerst de gebeurtenissen rond Joseph en de groep behandeld worden.
Terug in Zuid-Afrika wil Joseph een theatergroep oprichten, waarmee hij door het land wil gaan optreden. Josephs motivatie om met deze groep mensen door het land te gaan trekken, verwoordt hij ten overstaan van Derek de Villiers:

“‘I don’t want to have anything to do with the establishment: I want to get in touch with people. My own people.'” (208)

Derek probeert hem te waarschuwen voor wat komen gaat. Hij zegt:

“‘Do you think they’ll leave you in peace?’ ‘Who are “they”?’ ‘Principalities, powers, rulers of the darkness.'” (206)

Maar Joseph laat zich niet van zijn stuk brengen en hij blijft geloven dat zijn groep succes zal hebben.
Hij gaat op zoek naar geschikte, professionele acteurs en hij vraagt financiële steun aan Willem Vivier, een blanke jeugdvriend, met wie hij is opgegroeid. Hij herschrijft alvast bekende toneelstukken van gevestigde buitenlandse schrijvers tot hedendaagse, in Zuid-Afrika gesitueerde stukken. Uiteindelijk heeft hij een groep van acht mensen bij elkaar. Ze repeteren eerst vijf maanden voordat ze met een oud busje door het land gaan trekken en optreden. Over deze periode voorafgaand aan hun optredens zegt Joseph:

“And I was happy. If it was true, as Jerry had said, that happiness was a function of blindness, well, then I was blind too, and I’m not ashamed to admit it. For those were the months of blindness I ever knew.” (238)

Met hun eerste twee toneelstukken (van Calderon en Molière) treden ze gedurende deze eerste maanden in zaaltjes op en ze hebben er veel succes mee. Maar na deze eerste maanden gebeurt er iets dat hen erg schokt. Op de radio horen ze het bericht dat een aantal mensen zijn opgepakt door de veiligheidspolitie voor ondervraging, waaronder een bekende van hen, Harry Tsabalala. Drie dagen later staat er in de krant dat Harry dood is: “‘Of natural causes in his cell'” (241). Joseph besluit om die avond Antigone op te voeren “in such a way that they’ll know what it means to say No” (242). Maar na de opvoering heeft zijn vriend Jerry een onbevredigd gevoel. Hij vindt dat ze verder moeten gaan dan alleen het openen van de ogen van het publiek om daarna een stap opzij te doen. Hij vindt dat niemand in Zuid-Afrika het recht heeft “to stand aside” (242). Om Jerry te laten zien dat hij de zaak ernstig oppakt, besluit Joseph voor de volgende uitvoeringen een ander, relevanter toneelstuk te kiezen, gebaseerd op Peter Weiss’ Mockinpott.
Deze keuze luidt een ommekeer in, het einde van de ‘happiness’, oftewel ‘blindness’. Vanaf hier gaat het met de omstandigheden van de groep steeds slechter en worden ze meer en meer revolutionair en strijdlustig. Het toneelspelen wordt voor hen ‘more than a cultural activity’ (245). Twee dagen nadat ze Mockinpott voor het eerst speelden, verschijnt er in een krant een brief waarin geklaagd wordt dat hun opvoering van het stuk godslasterlijk zou zijn. Dezelfde middag nog krijgen ze van de Publications Control Board opdracht met het stuk te stoppen. Na een week van onderhandelingen mogen ze weer verder gaan, mits ze alle verwijzingen naar God schrappen. Ze doen dit dan, maar meteen als ze weer verder trekken beginnen ze het stuk te bewerken. Ze worden dan echter tijdens hun derde avond benaderd door twee detectives die de voorstelling stopzetten, omdat de groep is afgeweken van de overeengekomen tekst. Het eindresultaat is dat de Publications Control Board hun versie van het stuk totaal verboden verklaard. Met deze aanvaring met de censuur is er een belangrijk moment aangebroken. Uit de woorden van Joseph “‘And tomorrow we start again. If that’s the way they want it, fine. We can fight back. They won’t silence us'” (243) blijkt zijn groeiende volharding.
Maar het verbod op hun stuk heeft ook nog bijgevolgen, ze krijgen veel aandacht in de pers en doordat deze rel ontstaat, laat Willem Joseph weten dat de subsidie, die zijn bedrijf hen geeft, stopgezet zal moeten worden als ze op deze manier verder gaan. Joseph weigert onder deze voorwaarden nog langer geld van hem te ontvangen. In dit gesprek met Willem zegt Joseph iets interessants over de reden waarom hun versie van het stuk volgens hem verboden is. De officiële klacht was dat het stuk godslasterlijk was, maar volgens hem is dit niet de ware reden:

“‘You can hear more blasphemy from most pulpits in the country every Sunday than you’ll find in Mockinpott,’ I said. ‘What happened was that people didn’t like the politics in the play but they were afraid of saying so openly. The additions and alterations we made in Grabouw had nothing to do with religion at all. They were only looking for a pretext to get at us.'” (244)

Het wegvallen van de financiële steun en het uitgesproken verbod van de Publications Control Board heeft nog meer vervelende gevolgen. Zo wordt de groep bijvoorbeeld steeds opnieuw lastig gevallen door de politie en zaalboekingen worden afgezegd.
Ze gaan door met het aanpassen van bekende toneelstukken, totdat het bericht van de dood van Dulpert, een goede vriend van Joseph, hen bereikt. Na de begrafenis van Dulpert gaan ze weer op tournee. Ze beginnen met het opvoeren van Camus’ The Just, maar dit is geen succes en Joseph beseft: “What we needed was a forceful, clear statement, conquering the audience with its sheer visual energy.” (303) De volgende tegenwerking van de politie brengt hem op een idee dat de oplossing kan zijn. Op een nacht worden alle leden van de groep opgepakt en in de cel improviseren ze een voorstelling voor de medegevangenen waarbij er een interactie onstaat tussen hen en het ‘publiek’. Dit brengt hen het idee om zelf een stuk te schrijven dat is gebaseerd op werkelijk gebeurde incidenten en interactie met het publiek. Ze noemen het stuk SA! en Dulpert is het middelpunt van het verhaal. Ze keren terug naar Kaapstad om het idee uit te werken en te oefenen. Ondertussen blijft het ongeluk hen achtervolgen, maar uiteindelijk gaan ze dan toch met SA! in première en het is een daverend succes. Maar nu krijgen ze voor de tweede keer te maken met de censuur. De derde avond wordt het hen verboden op te treden omdat iemand een klacht heeft ingediend. Buiten het theater ontstaan er die avond rellen, waarbij mensen gewond raken.
Een week later wordt SA! officieel verboden door de Publications Control Board. Er wordt dit keer echter niet verteld op welke gronden. Ze gaan in hoger beroep bij de Supreme Court, hoewel ze helemaal niet zeker weten of ze het geld daarvoor bij elkaar kunnen krijgen. Vanaf deze gebeurtenis gaan een voor een de leden de groep verlaten, omdat ze er niet meer tegen kunnen. De eerste vrouw die vertrekt zegt:

“‘They’ll always find new ways to fock us up. We can’t win against them. It’ll just get worser and worser, and I don’ want to have blood on my hands inne end. I’m a decent person.'” (312)

De politie blijft hun optredens dwarsbomen en hen intimideren, ze verliezen het hoger beroep en tenslotte zijn ze nog maar met zijn drieën over; Joseph, Jerry en Doors. Ze blijven echter doorgaan, ze zoeken nieuwe acteurs, maar door het gebrek aan tijd en geld kunnen ze niet te selectief zijn en dit gaat ten koste van de kwaliteit. Vervolgens blijkt een van de nieuwe acteurs hun activiteiten te saboteren en ze komen steeds verder in de problemen. Dit alles bereikt een climax wanneer Doors veroordeeld wordt tot een jaar gevangenisstraf. Alleen Jerry en Joseph blijven dan nog over. Joseph wil nog altijd doorgaan, maar Jerry zegt dat het zo niet langer kan. Joseph blijft echter plannen maken om verder te gaan en deze plannen vertelt hij dan ook aan Jessica, maar uiteindelijk zal er van zijn plannen toch niets terechtkomen, omdat deze plaats moeten maken voor andere plannen, die hij samen met Jessica maakt om een einde aan hun leven te maken.
Al eerder merkte Joseph op dat hij nog slechts twee dingen op de wereld had om in te geloven: de groep en Jessica.

“In a strange way they were becoming more and more identified with each other. Both were threatened, both were indispensable, both were torture. But without them there was only the abyss.” (329)

Dit is dan ook wat hem is overgebleven als hij uiteindelijk in de cel zijn levensverhaal opschrijft. Jessica is er niet meer, de groep is er niet meer, alles wat hem nog rest is de afgrond, de dood. Maar hij is wel trouw aan zichzelf gebleven. Hij heeft tot het laatste moment stand gehouden en is trouw gebleven aan zijn idealen. Hij heeft nooit gezegd dat het allemaal zinloos was. Hij heeft zelfs zijn dood tot iets zinvols weten te maken, door het als voorbeeld te stellen van de wrede politiek van de overheid. Hij heeft tot het laatste moment met zijn ‘acting’ zijn kritiek op de overheid uitgebeeld. Dus in deze zin heeft de censuur hem er niet onder gekregen, maar voor de groep betekende de censuur en de daaraan verbonden controle en intimidatie door de vertegenwoordigers van de overheid wél het einde. Dit betekende namelijk zoveel financiële tegenslag en vertragingen dat het niet meer mogelijk was om in leven te blijven. Het effect dat de censuur op de kunst kan hebben wordt in de roman uitgebreid uitgewerkt.

Binnen dit verhaal van Joseph en de groep speelt de schrijver Richard Cole ook een kleine rol. Joseph ontmoet hem op een feestje en meteen bij de kennismaking zegt Richard dat hij een ‘listed’ auteur is en dat zijn boeken dus niet gelezen mogen worden in het land. Hij doet Joseph later een van zijn verboden boeken toekomen. Richard vertelt hem tijdens een andere ontmoeting hoe hij in aanraking is gekomen met de censuur en Richard denkt erover om te emigreren, want “What sense was there in a writer living here if his books couldn’t be read in the country and if he remained isolated from the rest of the world” (300), zo vindt hij. Maar Joseph probeert hem over te halen er nog eens goed over na te denken, omdat hij genoeg mensen weg heeft zien kwijnen van heimwee. Bovendien is hij ervan overtuigd dat Richard in zijn vaderland betere boeken zal kunnen schrijven dan wanneer hij vertrekt. Deze gedachte zien we ook in een gesprek met Brink: “De ballingschap is zo’n zware beproeving, dat de creativiteit daaronder lijdt. De belangrijkste zwarte schrijvers zitten niet in ballingschap, die zijn hier.” 13 Joseph vindt dus dat censuur nooit een reden mag zijn je te laten verjagen uit je eigen land.

Tenslotte speelt censuur een rol in het kaderverhaal, waarin Joseph zijn levensverhaal opschrijft. Terwijl hij aan het schrijven is, is hij zich er sterk van bewust dat hij in de gaten gehouden wordt door de bewakers. Hij wil de bewakers echter absoluut niet toelaten in zijn geschreven wereld. “‘I’m not writing this for them but only for myself'” (8), want het schrijven is voor hem een manier “To fight my way through a web of syntactic certainties towards a final, possible glimpse of truth.” (8) En om te voorkomen dat zijn papieren in de handen van de overheid vallen, zal hij ze vernietigen. “What I’m writing here, I shall destroy as I go on. Otherwise they may get hold of it, and that may implicate too many others. Fortunately the paper is very thin and it will be easy to flush it, page by page, down the toilet. In that way it will remain my own, which is all that matters now.” (9) Hij zal ze bovendien voor de gek houden door de sonnetten van Shakespeare op te schrijven en achter te laten, want “I know they’re constantly spying on me through the peephole as I’m writing, those vultures, awaiting their prey.” (10) Hij wil hen de kans niet geven om zijn laatste woorden te censureren, die eer wil hij aan zichzelf houden.
Dat de politiek van de overheid en de daarbij behorende censuur hem er niet onder hebben gekregen, blijkt uit hoe hij tegen zijn proces aankijkt. Hij ziet het als een theatervoorstelling: “A theatre critic would have judged it a succesful production, I presume.” (13) en “There was no applause at the end” (13). Maar in dit theaterstuk van de overheid weigert hij zijn rol mee te spelen, hij stelt zich passief op en door zijn onafgebroken stilte breekt hij alle regels van het spel. Hierdoor is goed niet meer automatisch als goed en slecht als slecht te onderscheiden, zoals deze begrippen traditioneel aan de termen blank en zwart gekoppeld waren. Volgens Joseph is het hele proces namelijk een schijnproces. Het gaat niet om de gepleegde moord, maar om de daar achterliggende immoraliteit van een donkere man die durft te vrijen met een blanke vrouw. Net als bij zijn toneelstukken wordt er bij dit proces niet naar de werkelijke inhoud gekeken, maar naar de inhoud die de overheid naar voren haalt. Bij een van de toneelstukken was dit de religie en bij het proces is het ‘gerechtigheid’, maar waar het bij allebei werkelijk om draait, is de politiek. Joseph weigert aan dit spel van de overheid mee te spelen en daarmee beeldt hij zijn kritiek op de politiek van de overheid uit. Kortom, hij blijft tot het laatste moment geloven in zijn idealen.

Verband met de feitelijke gebeurtenissen
De roman Kennis van die aand werd in februari 1974 verboden verklaard onder de sectie 5 (2)(b) van de Wet op Publicaties van 1963. Dit betekent dat de roman vanwege religieuze redenen ongewenst was. Het is echter opvallend dat de religieuze aspecten slechts een kleine rol in de roman spelen. Zoals M. de Lange constateert worden de religieuze aspecten nauwelijks vermeld in de recensies van die tijd over Kennis van die aand.14 Zij zegt daarover verder nog:

“By choosing to base the ban on religious offense instead of the more obvious political offenses, they tried to avoid a discussion of the political contents of the book.” 15

Het is interessant dat Joseph in het boek zo’n uitspraak over het eerste verboden toneelstuk doet in een gesprek met Willem. Het verbod op het toneelstuk, gebaseerd op Peter Weiss’ Mockinpott werd ook beargumenteerd met religieuze bezwaren, het zou godslasterlijk zijn. Maar volgens Joseph had men andere redenen: “‘What happened was that people didn’t like the politics in the play but were afraid of saying so openly'” (244). Deze woorden van Joseph hebben dus zeker een voorspellende waarde in zich. De tweede keer dat een toneelstuk van Joseph wordt verboden, wordt er niet vermeld om welke redenen.
Van het beroep tegen het verbod op de Engelse versie van het boek, Looking on Darkness, in 1980 zijn de beslissingen opgeschreven. Het beroep is overigens niet gewonnen. Het boek bleef ongewenst op religieuze gronden, hoewel het eindoordeel wel wat verzacht was:

“In the result the appeal fails (in a majority decision) and the book remains undesirable. Although not blasphemous, it is offensive to the religious convictions or feelings of the Christians within the meaning of s 47 (2)(b) of the Publications Act, 1974.” (Beslissing 64/80:5)

Bovendien werd expliciet vermeld dat het boek niet ongewenst is op politieke gronden:

“The book is not undesirable within the meaning of the so-called political paragraphs (s 47 (2)(d) +(e)) of the Act.” (Beslissing 64/80:4)

Pas in 1981 wordt het verbod op de roman opgeheven:

” ’n Publikasiekomitee het nou by hervoorlegging kragtens art. 15 beslis dat Kennis van die aand nie ongewens is nie.” (Beslissing 131/81:2)

In dit rapport van de Appèlraad wordt slechts besproken of het boek al dan niet op religieuze gronden verboden moet worden. Over de politieke of andere aspecten in het boek wordt niet gesproken. Uiteindelijk beslist de Appèlraad dus dat het boek niet ongewenst is, maar verbindt daaraan wel de volgende voorwaarden:

“Dat die boek slegs in hardeband verkoop, verhuur of deur uitleenbiblioteke uitgeleen mag word en dat dit nie wetens verkoop of verhuur of deur uitleenbiblioteke uitgeleen mag word aan persone onder agtien jaar oud nie”. (Beslissing 131/81.13)

Uiteindelijk heeft de censuur niet veel invloed gehad op Brinks latere publicaties, doordat hij de uitgeverij Taurus oprichtte en op die manier al eventuele volgende verboden gedeeltelijk wist te omzeilen. Voor Joseph had het verbod op zijn stukken echter enorme financiële gevolgen. Van de intimidatie door de politie zoals die in de roman beschreven wordt, is ook in het leven van Brink sprake geweest, hoewel misschien in minder ernstige mate. Met Sabotage heeft Brink niets te maken gehad, zoals Joseph. Wat Brink met zijn hoofdpersonage gemeen heeft, is het blijven geloven in je idealen, het door blijven vechten tegen de overheid en de censuur.
Als we de gebeurtenissen met een voorspellend karakter op een rijtje zetten zijn er in feite slechts twee soorten gebeurtenissen aan te wijzen. Ten eerste is er de uitspraak van Joseph dat het stuk niet vanwege religieuze maar vanwege politieke redenen is verboden. Ten tweede is er de reeks van intimiderende optredens van de politie. In beide gevallen kan men spreken van een voorspelling van wat er in de toekomst gebeurt met Kennis van die aand en Brink zelf. Er moet echter wel in ogenschouw genomen worden dat Brinks roman weliswaar de eerste Afrikaanstalige roman is die verboden is, maar niet de allereerste roman in Zuid-Afrika. Brink is bovendien niet de eerste schrijver die geïntimideerd werd door de politie. Voor hem werden talloze niet-Afrikaner schrijvers al dwarsgezeten in hun creatieve bezigheden. De gebeurtenissen in de roman hebben betrekking op een kleurling en niet op een blanke Afrikaner, dus in die zin heeft Brink de werkelijkheid geschetst. De gebeurtenissen met betrekking tot censuur zijn daarom tot zekere hoogte eveneens gebaseerd op werkelijke feiten, net als de gebeurtenissen met betrekking tot verbanning. Het blijft echter een feit dat bepaalde details Brink later zelf overkomen, zoals het officiële verbod op religieuze gronden, terwijl de redenen voor het verbod officieus politiek van aard zijn.

CONCLUSIE
Omtrent de thema’s verbanning en censuur zijn er veel verbanden te vinden tussen de gebeurtenissen in Brinks roman Kennis van die aand en het leven van de auteur zelf. Met name voor wat betreft het thema verbanning hebben Brinks eigen gedachten en ervaringen model gestaan voor de vertelling in het boek. Kennis van die aand is de eerste roman van Brinks hand na zijn terugkeer in Zuid-Afrika, een roman waarin hij duidelijk stelling neemt tegen de apartheidspolitiek van de Zuid-Afrikaanse overheid. Brink wist dat, wanneer hij terugkeerde naar Zuid-Afrika, zijn werk politiek geladen zou zijn en dat hij het dan niet makkelijk zou krijgen. Dat is ook wel gebleken nadat Kennis van die aand werd verboden en hij voortdurend geobserveerd werd door de overheid. Het feit dat zijn boek op religieuze gronden werd verboden, om een discussie over de politieke aspecten in het boek te vermijden, en het gegeven van de intimidatie door de vertegenwoordigers van de overheid zijn beide reeds in Kennis van die aand aanwezig en hebben daarom een voorspellend karakter. Maar in hoeverre Brink op de hoogte was van werkelijke intimidaties en de gevolgen van censuur bij andere auteurs voordat hij Kennis van die aand schreef, is moeilijk na te gaan. Daarom is niet duidelijk vast te stellen in hoeverre de beschreven intimidaties gebaseerd zijn op de werkelijkheid en in hoeverre ze toevallig voorspellend zijn. Feit blijft dat vóór Brinks roman nog nooit een Afrikaanstalig boek verboden werd en bovendien blijft het voorspellend dat zijn boek net als het toneelstuk in het boek op religieuze gronden wordt verboden om inhoudelijke discussies omtrent de politieke aspecten te voorkomen.

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Andre-BrinkVoetnoten:
1. ‘André Brink, in gesprek met Bahgat Elnadi en Adel Riraat’. In: Unesco koerier (1993) afl. 243, p. 4
2. Idem noot 1, p.6
3. Idem noot 1, p.7
4. Idem noot 1, p.6
5. Neervoort, Hans. ‘Schrijven is tijdelijk God spelen: in gesprek met André Brink’, Bzzlletin 164, maart 1989, p.7
6. Reuter. ‘André Brink begint “literaire guerrilla”‘. De Standaard 10-9-1979.
7. Woltjes, Koos. ‘Literatuur in Zuid-Afrika is spiegel van de werkelijkheid’. Haagsche courant. 29-10-1988.
8. Idem noot 7.
9. Deloof, Jan. ‘Hoe André Brink de Zuidafrikaanse censuur belachelijk maakt’. De Standaard 1-6-1982
10. Harn, Ko van. ‘Cultuur moet je gebruiken om mensen van inzicht te laten veranderen’. De Tijd 18-3-1983
11. Ik citeer uit de Engelse versie, Looking on Darkness, van André Brink, Minerva, Londen, 1995.
12. Dis, Adriaan van. ‘Een afrikaner op verboden terrein’. NRC Handelsblad 17-9-1976
13. Harn, Ko van. ‘Cultuur moet je gebruiken om mensen van inzicht te laten veranderen’. De Tijd 18-3-1983
14. Lange, Magreet de. The Muzzled Muze. p. 66
15. Idem noot 14. p.66

Share