Vingers van marsepein van Rascha Peper

De aantrekkingskracht van de dood

Vingers van marsepeinRascha Peper
Vingers van marsepein
Nieuw Amsterdam, 2008

Peper liet al in haar eerdere romans en verhalen, zoals Rico’s vleugels, Wie scheep gaat en Verfhuid, zien een rasverteller te zijn. Ze toont daarin bovendien een enorme fascinatie voor de dood én voor mensen met een passie. Ook in haar nieuwste roman Vingers van marsepein valt haar vertelkracht op en combineert zij haar fascinatie voor deze twee zaken. Rondom het onaantrekkelijke gegeven van een wetenschapper – de historische figuur Frederik Ruysch – die lichaamsdelen prepareert, weet zij een meeslepend verhaal te scheppen over twee kinderen.

De Amsterdammer Ruysch beleefde aan het begin van de achttiende eeuw zijn hoogtepunt als wetenschapper. Hij prepareerde niet alleen lichamen en lichaamsdelen van dier en mens, hij had ook een uitgebreide insecten- en plantenverzameling én hij ontdekte hoe het lymfevatenstelsel van de mens werkte. Zijn faam reikte ver, namelijk tot Rusland: Tsaar Peter de Grote bracht Frederik Ruysch in die tijd een bezoek om zijn collectie te bewonderen. In 1717 verkocht Ruysch zijn verzameling aan Peter de Grote en een groot deel daarvan is vandaag de dag nog altijd te zien in de Kunstkamera te Sint-Petersburg.
Rascha Peper neemt dit gegeven als uitgangspunt voor Vingers van marsepein en kiest ervoor om haar verhaal te vertellen vanuit het perspectief van twee kinderen die drie eeuwen na elkaar leven. Het achttiende-eeuwse meisje Bregtje, dat in 1704 in het huis van de preparerende Ruysch woont, zet Peper tegenover de hedendaagse jongen Ben die eeuwen later op dezelfde Amsterdamse gracht woont en net zo geïnteresseerd is in het werk van Ruysch als Bregtje.

Bregtje en Ben vormen elkaars tegenhanger met ieder hun eigen problemen en fascinaties. Bregtje is wees geworden en in het huis van haar oom opgenomen. Ze moet vechten voor haar plaatsje in de drukke huishouding van de beroemde wetenschapper. Ze hoopt dat haar broer nog in leven is en dat ze ooit met hem herenigd wordt. Ben woont bij zijn moeder die nog elke dag treurt om zijn overleden zusje, terwijl zijn vader een nieuwe vriendin heeft. Samen met zijn vader en vriendin gaat hij op vakantie naar Sint-Petersburg waar hij de collectie van Ruysch ontdekt. Hij voelt zich schuldig tegenover zijn moeder dat hij de nieuwe vriendin van zijn vader best aardig vindt.
Peper wisselt de verhaallijnen telkens met elkaar af zodat de parallellen geleidelijk aan zichtbaar worden. Zo hebben beide kinderen bijvoorbeeld een overleden broer of zusje, hebben ze allebei te maken met stiefouders, krijgen ze voor het eerst te maken met seksualiteit en met een loyaliteitsconflict. Verder bevat de roman diverse spiegelingen en terugkerende motieven, zoals dat van de neushoorn, de beer, de heldhaftige daad, het gerecht met een ei en het gevaar dat met een sisser afloopt. Maar toch komen de verhalen nergens letterlijk samen, want er zitten drie eeuwen tussen. Wel komt in het laatste hoofdstuk een geestachtige verschijning waarin Bregtje herkend kan worden, in het leven van Ben voor.

Knap weet Peper haar personages tot leven te wekken en je als lezer met hen mee te laten leven. Ook schetst ze een geloofwaardig beeld van het achttiende-eeuwse Amsterdam met het straatbeeld vol koetsen, flanerende rijken, middenstand met handkarren en knechten en dienstmeiden. Maar ook het hedendaagse Sint-Petersburg waar Ben op vakantie is, spreekt tot de verbeelding. De beschrijvingen van bijvoorbeeld de Kunstkamera maken je nieuwsgierig en dus weet Peper uiteindelijk zelfs haar eigen, ietwat wonderlijke, fascinatie voor iemand als Ruysch over te brengen op de lezer. Ze doet dat met een ontroerend mooie vertelling, waarin thema’s als verlangen, verlies, gevaar en volwassenwording aan bod komen.

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Rascha-Peper

Share