Voorpublicatie: 2666 van Roberto Bolaño

Share

2666Roberto Bolaño
2666

Meulenhoff, 2009

Op 26 maart verschijnt Roberto Bolaño’s meesterwerk 2666, het magnum opus van een van de grootste Latijns-Amerikaanse schrijvers. Onderaan de pagina is een voorpublicatie te vinden.

Het verhaal:
Drie mannen en een vrouw worden verbonden door hun gemeenschappelijke fascinatie voor het werk van Benno von Achimboldi, een mysterieuze Duitse schrijver. Ze maken een absurde bedevaart naar Santa Terasa, aan de grens van Mexico met de Verenigde staten, waar Achimboldi zou zijn gezien. Eenmaal in Santa Teresa komen ze erachter dat de stad sinds jaren het decor vormt van een reeks afschuwelijke misdrijven. Op de vuilstortplaats van de stad worden met grote regelmaat levenloze lichamen van vrouwen aangetroffen. Allemaal vertonen ze sporen van meedogenloze verkrachting en marteling.

2666 is een roman boordevol gedenkwaardige personages, wier verhalen twee continenten omspannen en de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw bestrijken. Het is een even rijk als vermetel waagstuk, dat voortdurend balanceert op de rand van de lach en de verschrikking, en de kenmerken bevat van een detective, een episch gedicht en een filosofische roman.

~~~
New York Times heeft 2666 uitgeroepen tot een van de 5 beste boeken van 2008. Lees hier de recensie.
~~~

Voorpublicatie:
Roberto Bolaño – 2666
EEN FRAGMENT

Archimboldi onderhield nauwelijks contact met Duitse schrijvers, onder
andere omdat de hotels waar de Duitse schrijvers hun intrek namen
als ze naar het buitenland gingen, niet de hotels waren waar hij gewoonlijk
verbleef. Wel leerde hij een gerenommeerde Franse schrijver
kennen, een schrijver die ouder was dan hij, wiens literaire essays hem
roem en erkenning hadden bezorgd en die met hem sprak over een huis
waarin alle verdwenen Europese schrijvers hun toevlucht zochten.
Deze Franse schrijver was ook een verdwenen schrijver, dus hij wist
waar hij het over had, en om die reden nam Archimboldi de uitnodiging
om het huis te bezoeken aan.

Ze kwamen er aan in het donker, met een gammele taxi waarvan de
chauffeur in zichzelf praatte. De man herhaalde zich, kraamde onzin
uit, verviel opnieuw in herhaling,werd boos op zichzelf, wat maakte dat
Archimboldi zijn geduld verloor en zei dat hij zich op het rijden moest
concentreren en zijn mond moest houden. De oude essayist, die zich
niet leek te storen aan de monoloog van de chauffeur, wierp Archimboldi
een lichtelijk verwijtende blik toe, alsof hij de taxichauffeur, overigens
de enige in het dorp, had beledigd.

Het huis waar de verdwenen schrijvers woonden, lag in een enorm
park vol bomen en bloemen en met een zwembad waar witgeverfde ijzeren
tafeltjes met parasols en ligstoelen omheen stonden. Aan de achterkant,
in de schaduw van een paar eeuwenoude eiken, was een jeu de
boules-veldje, en verderop begon het bos. Toen ze aankwamen, zaten
de verdwenen schrijvers in de eetzaal te eten en naar het nieuws op de
televisie te kijken. Het waren er veel, bijna allemaal Fransen, en Archimboldi
verbaasde zich daarover, want hij had nooit gedacht dat er in
Frankrijk zoveel schrijvers waren verdwenen. Maar wat vooral zijn aan

1

dacht trok, was het aantal vrouwen. Veel vrouwen, allemaal van gevorderde
leeftijd, sommige met zorg en zelfs elegant gekleed, en andere die
er duidelijk verwaarloosd uitzagen, waarschijnlijk dichteressen, dacht
Archimboldi, die vuile ochtendjassen, pantoffels en kniekousen droegen,
zich niet hadden opgemaakt en van wie enkele hun grijze haren
onder wollen mutsen hadden gepropt die ze ongetwijfeld zelf hadden
gebreid.

Er werd aan tafel bediend, althans in theorie, door twee in het wit geklede
dienstmeisjes, hoewel er eigenlijk sprake was van een lopend
buffet en elke schrijver rondliep met zijn dienblad en nam waar hij zin
in had.Wat vindt u van onze kleine gemeenschap, vroeg de essayist, terwijl
hij zachtjes lachte omdat op dat moment, achter in de eetzaal, een
van de schrijvers was flauwgevallen of getroffen door de een of andere
aanval en de twee dienstmeisjes hun best deden om hem weer bij te
brengen. Archimboldi antwoordde dat het nog te vroeg was om zich
een idee te vormen. Daarna zochten ze een onbezet tafeltje en schepten
hun borden vol met iets wat op aardappelpuree met spinazie leek, met
een hardgekookt ei en een gegrilde biefstuk. Ze dronken er een glaasje
wijn uit de streek bij, een zware wijn die naar aarde smaakte.

Achter in de eetzaal, bij de flauwgevallen schrijver, stonden nu een
paar jongemannen, allebei in het wit, plus de twee dienstmeisjes en een
groep van vijf verdwenen schrijvers die toekeken hoe hun collega weer
werd bijgebracht. Na het eten nam de essayist Archimboldi mee naar de
receptie om hem als gast te laten inschrijven, maar aangezien er niemand
was om ze te woord te staan, gingen ze naar de televisiezaal, waar
verscheidene verdwenen schrijvers zaten te dommelen, terwijl een presentator
het had over mode en over de liefdesperikelen tussen beroemdheden
van de film en de Franse televisie, waarbij veel namen waren
die Archimboldi nog nooit had gehoord. Daarna liet de essayist
hem zijn slaapkamer zien, een ascetisch vertrek met een klein bed, een
tafel, een stoel, een tv, een kast, een koelkast van geringe afmetingen en
een badkamer met douche.

Het raam bood uitzicht op het park, dat nog verlicht was. De geur
van bloemen en nat gras drong het vertrek binnen. In de verte hoorde
hij een hond blaffen. De essayist, die op de drempel was blijven staan

2

terwijl Archimboldi de kamer inspecteerde, overhandigde hem de sleutels
terwijl hij hem verzekerde dat hij daar misschien niet het geluk,
waar hij niet in geloofde, maar wel vrede en rust zou vinden. Daarna
ging Archimboldi met hem naar zijn eigen kamer, die op de benedenverdieping
lag en die een exacte kopie leek van het vertrek dat hem was
toegewezen, niet zozeer vanwege de meubels en de afmetingen als wel
vanwege de kaalheid. Je zou zeggen dat hij ook net is aangekomen,
dacht Archimboldi. Er waren geen boeken, geen rondslingerende kleren,
geen persoonlijke bezittingen, er was geen afval en niets waarin het
vertrek verschilde van het zijne, behalve een appel op een wit bord op
het nachtkastje.

De essayist leek zijn gedachten te raden en keek hem aan. Het was
een blik van verbijstering. Hij weet wat ik denk en nu denkt hij hetzelfde
en kan het maar niet begrijpen, zoals ik het evenmin begrijp, dacht
Archimboldi. Eigenlijk lag er in hun beider blik niet zozeer verbijstering
als wel droefheid. Maar die appel op het witte bord, dacht Archimboldi.

‘Die appel ruikt ’s nachts,’ zei de essayist. ‘Als ik het licht uitdoe. Hij
ruikt net zo sterk als het gedicht over de vocalen. Maar uiteindelijk verzuipt
alles,’ zei de essayist. ‘Alles verzuipt in het verdriet. Alle welsprekendheid
vloeit voort uit verdriet.’

Ik begrijp het, zei Archimboldi, hoewel hij er niets van begreep.
Daarna schudden ze elkaar de hand en deed de essayist de deur dicht.
Aangezien Archimboldi nog geen slaap had (hij sliep weinig hoewel hij
soms zestien uur achter elkaar kon slapen) ging hij een rondwandeling
maken langs de verschillende afdelingen van het huis.

In de televisiezaal waren nog maar drie verdwenen schrijvers, alle
drie diep in slaap, en een man op de televisie die op het punt leek te
staan om te worden vermoord. Archimboldi bleef een tijdje naar de
film kijken, maar daarna kreeg hij er genoeg van en ging naar de eetzaal,
waar niemand was, en liep vervolgens door verscheidene gangen totdat
hij bij een soort gymnastieklokaal of massageruimte kwam waar een
jongeman in een wit hemd en een witte broek bezig was met gewichtheffen
en onderwijl praatte met een oude man in pyjama; toen ze hem
aan zagen komen, wierpen ze hem een zijdelingse blik toe en zetten hun

3

gesprek gewoon voort, alsof hij lucht was. De vent met de gewichten
leek een huisknecht en de oude man in pyjama zag er eerder uit als een
terecht vergeten dan als een verdwenen romanschrijver, de typische
slechte Franse romanschrijver en pechvogel, waarschijnlijk geboren
onder een ongelukkig gesternte.

Toen hij het huis via de achterdeur verliet, zag hij aan het eind van
een verlichte galerij twee oude vrouwtjes naast elkaar op een schommelbank
zitten. De ene praatte met een zangerige, aangename stem, als
een beekje dat door een bedding van platte stenen stroomt, en de andere
zat zwijgend te kijken naar de duisternis van het bos dat zich achter
de jeu de boules-veldjes uitstrekte. De vrouw die praatte leek hem een
lyrische dichteres, iemand die veel dingen te vertellen had die ze niet in
haar gedichten kwijt had gekund, en de vrouw die haar mond hield een
belangrijke romanschrijfster die schoon genoeg had van zinloze frasen
en woorden zonder betekenis. De eerste droeg jeugdige, om niet te zeggen
kinderlijke kleren. De tweede droeg een goedkope ochtendjas,
gymschoenen en een spijkerbroek.

Hij wenste ze goedenavond in het Frans en de oude vrouwtjes keken
hem aan en lachten tegen hem, alsof ze hem uitnodigden bij hen te komen
zitten, wat Archimboldi onmiddellijk deed.

‘Is dit uw eerste avond in ons huis?’ vroeg het meisjesachtige oude
vrouwtje.

Voordat hij kon antwoorden, zei het zwijgzame vrouwtje dat het
weer begon op te knappen en dat ze binnenkort allemaal korte mouwen
moesten dragen. Daar stemde Archimboldi mee in. Het meisjesachtige
vrouwtje lachte, misschien denkend aan haar garderobe, en
daarna vroeg ze wat voor werk hij deed.

‘Ik ben romanschrijver,’ zei Archimboldi.

‘Maar u bent geen Fransman,’ zei het zwijgzame vrouwtje.

‘Nee, ik ben Duitser.’

‘Uit Beieren?’ wilde het meisjesachtige vrouwtje weten. ‘Ik ben wel
eens in Beieren geweest en ik vond het fantastisch. Alles is er even romantisch,’
zei ze.

‘Nee, ik kom uit het noorden,’ zei Archimboldi.

Het meisjesachtige oudje deed alsof ze huiverde.

4

‘Ik ben ook in Hannover geweest,’ zei ze.‘Komt u daarvandaan?’

‘Zo ongeveer,’zei Archimboldi.

‘Hun eten is afschuwelijk,’zei het meisjesachtige vrouwtje.

Later wilde Archimboldi weten wat zij deden en het meisjesachtige
vrouwtje zei dat ze tot aan haar huwelijk kapster was geweest, in Rodez,
maar dat ze van haar man en kinderen niet mocht blijven werken. Het
andere vrouwtje zei dat ze naaister was, maar dat ze er een hekel aan had
om over haar werk te praten. Wat een rare vrouwen, dacht Archimboldi.
Toen hij afscheid van ze had genomen, liep hij het park in, steeds verder
weg van het huis dat nog gedeeltelijk was verlicht, alsof er nog een
bezoeker werd verwacht. Zonder te weten wat hij moest doen, maar genietend
van de nacht en de geur van het land, kwam hij bij de ingang,
een houten poort die niet goed sloot zodat iedereen naar binnen had
kunnen komen. Ernaast ontdekte hij een bord dat hij bij zijn aankomst
met de essayist niet had gezien. Op het bord stond, in donkere, niet al te
grote letters: KLINIEK MERCIER. RUSTHUIS-NEUROLOGISCH CENTRUM.
Hij was niet verrast en begreep onmiddellijk dat de essayist hem
naar een gekkenhuis had gebracht. Na een tijdje keerde hij terug naar
het huis en ging de trap op naar zijn kamer om zijn koffer en zijn
schrijfmachine te halen.Alvorens te vertrekken wilde hij de essayist nog
even zien. Nadat hij had geklopt en er niemand had geantwoord, ging
hij de kamer binnen.

De essayist lag diep te slapen, alle lampen waren uit, hoewel door de
opengeschoven gordijnen het licht van de voorgalerij binnenviel. Het
bed was nauwelijks omgewoeld. Hij leek net een sigaret onder een zakdoek.
Wat is hij oud, dacht Archimboldi. Daarna vertrok hij geruisloos
en toen hij weer door het park liep meende hij aan de rand ervan, waar
het bos begon, een in het wit geklede man te zien die van boom naar
boom rende en zich achter de stammen verstopte.

Pastoen hij buiten de kliniek was, op de weg, vertraagde hij zijn pas
en probeerde normaal adem te halen. De ongeplaveide weg liep door
bossen en heuvels met zachtglooiende hellingen. Een windvlaag bewoog
af en toe de takken van de bomen en maakte zijn haar in de war.
De wind was warm.Eén keer passeerde hij een brug.Toen hij in de buurt
van het dorp kwam, begonnen er hondente blaffen. Bij het stations

5

plein ontdekte hij de taxi die hem naar de kliniek had gebracht. De
chauffeur zat niet op zijn plaats, maar toen Archimboldi langs de auto
liep zag hij een gedaante op de achterbank die zich bewoog en zo nu en
dan schreeuwde. De deuren van het station stonden open, maar de loketten
waren nog niet voor het publiek geopend.Op een bank zaten drie
Noord-Afrikanen te praten en wijn te drinken. Ze groetten elkaar met
een hoofdknik en daarna ging Archimboldi naar de perrons.Er stonden
twee treinen naast een paar loodsen. Toen hij de wachtkamer weer binnen
ging, was een van de Noord-Afrikanen vertrokken. Hij nam plaats
op de bank aan de overkant en wachtte tot de loketten opengingen.
Daarna kocht hij een kaartje naar zomaar een plaats en verliet het dorp.

6

Share