Voorpublicatie Mark Sarvas, Harry, de verbeterde versie
...
Nu begint er in zijn binnenste iets op te gloeien en te rommelen, iets wat sterk aan een kettingreactie doet denken, een atoomsplitsing van de ziel, en heel even lijkt de wereld bereikbaar, en op die golf van zelfvertrouwen grijpt hij zijn vork en rijgt daar een enorme hap Monte Cristo aan. Hij valt er met onverwachte gretigheid op aan, kauwt hartstochtelijk en met zijn hele wezen, schrokt het geval naar binnen met een vitaliteit waar hij zelf van schrikt. Hij grijnst verrukt, wat Molly opvat als waardering voor de sandwich.
‘Dus u vindt het lekker! Geweldig!’
Met een stralende, uitbundige glimlach schenkt ze hem nog een kop koffie in, en in die glimlach ziet hij een soort verbondenheid of althans de suggestie daarvan. Hij lacht terug, neemt nog een grote hap, al had de sandwich wat hem betreft net zo goed uit zaagsel kunnen bestaan, en staat zichzelf toe zich voor te stellen hoe het zou zijn om met haar...
Natuurlijk moet hij terugkomen. Hij ziet voor zich hoe hij een keer of vijf terugkomt, en dat Molly elke keer blijer lijkt hem te zien. Ze wisselen wat luchtige opmerkingen, die geleidelijk een persoonlijker tintje krijgen. Hij verneemt allerlei details over haar leven, informeert naar haar moeder, haar vrienden, naar wat ze doet als ze niet hier aan het werk is. Zij lacht om zijn grapjes, bewondert zijn kleren, vraagt of hij naar de sportschool is geweest. Dan worden ze geleidelijk vertrouwelijker. Zij vertelt hoe teleurgesteld ze is in de mannen in haar leven, beklaagt zich over hun oppervlakkigheid en zegt dat ze naar een echte, volwassen man verlangt, geen jongetje, maar iemand die weet wie hij is, snap je wel? En hij begrijpt alles, geeft raad en brengt haar van haar stuk met zijn wijsheid, zijn wellevendheid en zijn duidelijke zelfinzicht. Hij weet altijd precies wat hij moet zeggen, wat ze op dat moment nodig heeft. Hij begint kleine attenties voor haar mee te brengen – nooit extravagant en altijd smaakvol, speciaal bedacht om haar te laten merken hoe goed hij naar haar luistert. Twee weken nadat ze heeft verteld dat ze dat ene prentenboek uit haar kinderjaren zo mist, brengt hij juist dat boek voor haar mee. Als ze terloops iets zegt over een import-cd van haar favoriete wereldmuziekgroep die nergens te krijgen is, weet hij binnen enkele dagen de hand op dat album te leggen. Dan stoot hij door naar de volgende fase, hij begint aan te voelen waar ze heen wil, leert haar smaak kennen, waagt zich op onbekend terrein en verrast haar met zijn gevoeligheid en zijn opmerkingsgave. Inmiddels geeft ze toe dat ze zich tot hem aangetrokken begint te voelen – ja, ze beseft heus wel dat hij ouder is dan zij, maar dat wordt juist een deel van zijn aantrekkingskracht: een gevoelige vaderfiguur om mee te neuken. Zijn hart zal opspringen als ze dat woord uitspreekt – hij stelt zich graag voor dat ze een verborgen hitsige kant heeft – en hij hapt naar adem en wendt zijn blik af, wat zij charmant vindt. Dan brengt ze haar hand naar zijn kin, tilt zijn gezicht op en geeft hem een kus. Het zal een haastig kusje zijn – ze zijn tenslotte nog in het eetcafé – maar wel met de zoetheid van haar lipgloss en heel even het puntje van haar tong, en dan zal hij weten dat hij op de drempel van het geluk staat. De echte zoen komt later die dag – hij zal in zijn auto zitten wachten tot ze weggaat en weten dat ze naar hem uitkijkt, zich voorstellen hoe ze verteerd wordt door verlangen naar hem, en als hij uit zijn auto stapt, stort ze zich rennend in zijn armen en trekt hem hongerig naar zich toe. Hij zal haar voor een weekend uitnodigen en haar ergens mee naartoe nemen waar het stijlvol en chic is, haar uit de wereld van Café Retro weghalen en haar het hoofd op hol brengen met zijn charme en zijn attenties. Hij denkt aan het Napa, een mooi victoriaans hotel in een buitenwijk. Haar hoofd zal de hele rit lang op zijn schouder liggen en ze zal de kamer niet meer uit willen. Ze zullen vrijen bij de open haard, snel een badjas aanschieten als roomservice aanklopt en samen giechelen als de ober weer weg is. Hij zal haar uitnodigen bij hem te komen wonen – haar huis is tenslotte erg klein, al is het wel gezellig en met cachet ingericht. Met tranen in haar ogen zal ze toestemmen en zeggen dat hij de man is op wie ze heeft gewacht, over wie ze heeft gedroomd. Ze zullen trouwen – hij zal haar in hun mooie kamer in het Napa ten huwelijk vragen, voor de open haard. Of wacht. Nog beter. In Dublin. Hij zal met haar naar het land van haar voorvaderen gaan (ze heet Molly, dus ze is vast Ierse), en terwijl ze over St. Stephen’s Green wandelen zal hij haar om haar hand vragen. In tranen zal ze zijn aanzoek aannemen. Het huwelijk zal klein maar smaakvol worden gevierd. Max de chiropodist zal zijn getuige zijn, Molly’s maagdelijke zusje de hare. Een paar weken na hun huwelijksreis naar Venetië zal zij hem vertellen dat ze zwanger is. Hij zal zacht haar buik aanraken en de tranen zullen in zijn ogen opwellen als…
‘Verdomme! Ze is dood. Ik niet!’
Barbara’s woede slaat Harry’s sprookjesboek met een klap dicht en hij is onaangenaam verrast als hij werkelijk een begin van tranen in zijn ogen voelt. Hij veegt ze weg en hoopt maar dat niemand hem om zijn eigen dagdromen heeft zien snotteren. Barbara pakt haar spullen bij elkaar en stormt Café Retro uit. Harry en Molly wisselen een verbijsterde blik en Harry richt zijn aandacht weer op Michael, die schutterig onder de tafel naar de urn tast, die hij vervolgens onder zijn arm neemt als een kind dat zijn schoolboeken pakt, om vervolgens eveneens het eethuis uit te snellen.
Weer die urn. Weer die vreemde mengeling van misselijkheid en adrenaline. Doodsangst. Hij onderdrukt de nieuwe pijnsteek in zijn zij en kijkt op zijn horloge.
‘Shit,’ mompelt hij. Hij kijkt Molly aan. ‘Ik moet weg, ik ben al te laat. Sorry. Het was verrukkelijk.’
‘Fijn dat u het lekker vond,’ zegt ze met een glimlach, en ze ruimt de tafel af en steekt haar vijfendertig procent fooi in haar zak. ‘Kom nog eens terug.’
Hij zucht van geluk. ‘De wetenschap heeft de krachten nog niet ontdekt die me daarvan zouden kunnen weerhouden,’ zegt hij. Dat had hij althans wíllen zeggen, maar in werkelijkheid is een gemompeld ‘Zal ik doen’ het enige wat hij kan uitbrengen.
Hij staat op en klopt de kruimels en de poedersuiker van zijn pak. Het is al erg genoeg dat hij zo laat is, hij moet er wel een beetje toonbaar uitzien. Terwijl hij het restaurant uit loopt, bidt hij dat het verkeer voor één keer een beetje meewerkt.
Het zou wel slordig staan om de begrafenis van je eigen vrouw te missen.
Copyright Nederlandse vertaling © 2008 Gerda Baardman, Wim Scherpenisse en J.M. Meulenhoff bv, Amsterdam
Geplaatst op 1 september 2008