Wie goed bedoelt van Ellen Ombre

 

Ellen Ombre
Wie goed bedoelt
De Arbeiderspers, 1996 [heruitgave: 2012]

Ellen Ombre is de hoofdpersoon van het verhaal, dat een autobiografisch verslag is van haar reis naar Benin. Ombre komt uit Suriname, maar woont al enkele decennia in Nederland. Ze is niet naar Benin gereisd om op zoek te gaan naar haar wortels in Afrika, waar haar voorvaderen vandaan komen. Het doel van haar reis is veel meer om te kijken hoe ontwikkelingshulp daar eigenlijk werkt. Ze weet vanuit de Surinaamse ervaring dat ontwikkelingsprojecten vaak gedoemd zijn tot mislukken.
Haar verhaal begint bij de reis die ze per vrachtschip naar Benin maakt. Zij is de enige passagier op dit schip, dat vol is geladen met afgedankte auto’s, koelkasten en dergelijke uit het westen. Ellen krijgt het vermoeden dat deze troep in Afrika gedumpt wordt (overigens voor veel geld) en de kapitein van het schip spreekt dit niet tegen. Eenmaal in Benin aangekomen, is ze te gast bij een welvarende familie die gastvrij is. Toch voelt ze zich wat benauwd in dat grote huis, omdat haar kamer te klein is om in te kunnen werken. Na verloop van tijd gaat ze dan ook een eigen huis huren.
Tijdens haar verblijf let ze op de werkzaamheid van de ontwikkelingsprojecten en haar kritiek hierop is scherp. Ze haalt een voorbeeld aan van een Nederlandse vrouw die gestationeerd is in een gebied dat 20 keer zo groot is als Nederland om daar samen met twee allochtonen veelwijverij, clitorale besnijdenis en meisjeszwangerschappen te bestrijden. En dit is slechts één van de vele voorbeelden die ze geeft. Verder vertelt ze van de vele personen die haar om hulp vragen voor het één of andere project al korte tijd na hun kennismaking. De hulpverleningsprojecten worden door de plaatselijke bevolking vaak gezien als iets waarmee men zich persoonlijk kan verrijken. De hele hulpverlening streeft zo zijn doel voorbij, zo constateert Ellen Ombre. De meeste projecten werken niet door gebrek aan locale kennis, inzicht en interesse, of door corruptie of luiheid, hoe goed bedoeld ze vaak ook mogen zijn.
Tussen deze registraties van de situatie op ontwikkelingsgebied in dit land door, beschrijft Ellen herinneringen aan haar jeugd in Suriname. Zo beschrijft ze bijvoorbeeld een bezoek aan haar oom en tante die ze als klein meisje samen met haar vader bezoekt. Ze herinnert zich de ongemakkelijkheid van de situatie en de rol die het verschil in maatschappelijke positie speelde. Tijdens haar verblijf in Benin wordt Ellen ook voortdurend geconfronteerd met haar huidskleur, haar afstamming. De mensen beschouwen haar als één van hen, terwijl zij zelf het gevoel heeft dat ze ver van hen afstaat. Haar gebrek aan een ‘wij’-gevoel wordt tijdens de ontmoetingen met andere mensen duidelijk. Ze denkt niet wit of zwart, ze denkt kleurloos. Ze wil zo neutraal mogelijk blijven en tijdens haar verblijf loopt ze dan ook voortdurend op eieren.

Thema en motieven

Wie goed bedoelt gaat over het falen van ontwikkelingshulp uit schuldgevoel. In een poging de koloniale uitbuitingen goed te maken, zet Nederland (en het westen in het algemeen) de meest vreemde en onmogelijke projecten op. Deze hulpverlening werkt vaak niet doelmatig of zij wordt door de politiek van een land misbruikt. Ellen constateert dat dit in Benin eveneens het geval is. Ze haalt voorbeelden aan van deze ondoelmatigheid: de vele tweedehands kleren die vanuit het westen naar Benin komen gaan ten koste van duizenden arbeidsplaatsen die er zouden kunnen zijn als er ter plaatse kleding gemaakt wordt, hallen staan leeg en marktplaatsen worden niet gebruikt omdat ze uit de loop gepland zijn, een radiostation kan maar beperkt gebruikt worden omdat het bereik niet groot genoeg is, doordat het onderin een dal gebouwd is, etc. Ze haalt ook voorbeelden aan van het politieke misbruik, zoals het voorstel dat Ellens gastheer, Joaquin, haar doet om voor fondsen te zorgen die hem een voordeel in de handel bieden (invoeren zonder invoerrechten te betalen). In een interview met De Volkskrant zegt ze hier ook over:
“Het land is verziekt door projecten. Iedereen wil een project. De ontwikkelingshulp houdt een kleine bovenlaag in stand, het is een soort oudedagsvoorziening voor een politieke elite. De onderlaag heeft er niks aan, in het binnenland heeft niemand er profijt van. Ik vind het fröbelen ten koste van een ander, en dan moet men daar nog blij en dankbaar zijn ook.”
In dit interview zegt ze overigens dat zij niet tegen ontwikkelingshulp is, maar dat de manier waarop het nu meestal gaat, wat zij er van heeft gezien, vaak slecht is.

Uit het boek blijkt tevens een duidelijke afkeer voor afhankelijkheid. Deze afkeer hangt nauw samen met de relatie tussen het westen en de ontwikkelingslanden. Juist door de ontwikkelingshulp worden de armere landen afhankelijk gemaakt van de rijkere. Ook op persoonlijk vlak toont Ellen haar voorkeur voor onafhankelijkheid. Zo reist ze bijvoorbeeld graag alleen, en bemoeit ze zich zo min mogelijk met de aanwezige bemanning op het schip. In het genoemde interview met De Volkskrant zegt ze hierover:
“Je bent in je eentje wel ontredderd, maar je weet dat er in ieder geval één iemand voor je zal zorgen, jijzelf. Het is veel ingewikkelder om met anderen te zijn en het gevoel te hebben aan hen te zijn overgeleverd. Je weet niet wat zij ten koste van jou zullen uithalen.”
Ellen Ombre is dan ook een duidelijke individualiste. Ze kan zich heel goed op haar gemak voelen bij andere mensen, maar ze beoordeelt deze mensen op hun individuele eigenschappen en niet op hun groepskenmerken. Met andere woorden: ze gaat niet met personen om omdat ze tot een bepaalde groep behoren, maar omdat ze ze mag als individu.

Motieven die voorkomen in Wie goed bedoelt zijn: tegenstelling tussen arm en rijk oftewel klasseverschillen, de vroegere slavenhandel, het milieu als issue, liefdadigheid (ook op kleine schaal, denk aan de flessenvrouw), tegenstelling tussen Afrika en Europa, criminaliteit en onveiligheid, corruptie en wederkerigheid. Dit laatste motief wordt in het boek genoemd als één van de `nieuwe kernelementen’ van de duurzame verdragen tussen Benin en Nederland (naast participatie en gelijkwaardigheid). Wederkerigheid houdt in dat er uitwisseling ontstaat tussen “vaklieden uit rijke landen en hun collega’s uit ontwikkelingslanden” (pagina 119).

Discussievragen

1) Er wordt (vanaf pagina 119, zie hierboven) over de wederkerigheid verteld. Welke voorbeelden worden hier aangehaald van deze uitwisseling? Wat vindt u van deze voorbeelden? Hoe zou de wederkerigheid beter kunnen verlopen?

2) De auteur schetst een pessimistisch beeld van de ontwikkelingshulp in Benin. Hoe kan de duurzame ontwikkeling van een land als Benin wel goed begeleid worden?

3) Ombre schuwt het groepsgevoel, omdat het vormen van een groep ook altijd het uitsluiten van anderen inhoudt. In een interview met maandblad Opzij spreekt zij ook hierover. Wat vindt u van Ombre’s visie hierop? Denkt u zelf in termen van groepen?

4) Heeft het denken in termen van groepen gevolgen voor de ontwikkelingssamenwerking?

[geschreven in 1997, gebaseerd op de oorspronkelijke uitgave van het boek uit 1996]

Share