Zandkastelen van André Brink

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Andre-BrinkAndré Brink
Zandkastelen
Meulenhoff, 1996

DE SCHRIJVER

André Brink is in 1935 in Zuid-Afrika geboren. Hij is een van de meest produktieve en ondernemende Afrikaner schrijvers. (Afrikaners zijn de van Nederlanders afstammende blanken in Zuid-Afrika, die een sterk op het Nederlands lijkende taal spreken). Brink was een van de voormannen van de beweging van Sestig – een groep vernieuwende prozaïsten waarvan het merendeel in de zestiger jaren debuteerde en die op onstuimige wijze brak met het gemoedelijke lokale realisme van de vorige generaties. De groep schrijvers wist met talent op de tenen van het conservatieve publiek te trappen door zich niet te storen aan de traditionele opvattingen over seksualiteit en godsdienst.

In 1968 distantieert Brink zich echter van de beweging van Sestig uit protest tegen de neiging die de Sestigers hebben tot het produceren van een ivoren-toren-kunst. Hij wil dat literatuur een meer sociaal-maatschappelijke functie krijgt, waarin een bewustwording tot stand gebracht moet worden voor de Zuid-Afrikaanse situatie. Hij komt tot dit inzicht na verblijf in Parijs, waar hij van 1959 tot 1961 en van 1967 tot eind 1968 heeft gewoond. Eind 1968 voelt hij heel sterk de drang terug te keren naar zijn geboorteland, om daar te schrijven en de volle verantwoordelijkheid voor zijn werk op zich te nemen. Vanaf dat moment zijn zijn romans dan ook politiek geladen, hij valt openlijk de politiek van de regering aan. Dit doet hij voor het eerst in zijn roman Kennis van de avond (1973) en dit boek wordt dan ook prompt door de overheid tot verboden boek verklaard. Daarbij wordt Brink voortdurend door de veiligheidspolitie in de gaten gehouden. Het is trouwens het eerste boek van een blanke Zuid-Afrikaan dat verboden wordt, voorheen werden alleen werken van zwarte en gekleurde schrijvers slachtoffer van de scherpe censuur.

André Brink heeft talloze publicaties op zijn naam staan. Naast schrijver is hij ook hoogleraar aan de universiteit van Kaapstad, waar hij Engelse literatuur doceert. Voor zijn romans kreeg hij al verschillende malen een literaire prijs, waaronder drie keer de CNA-prijs, de belangrijkste literaire prijs van Zuid-Afrika.

INHOUD

De jonge Zuid-Afrikaanse vrouw Kristien woont al elf jaar in Londen en ze is vastbesloten nooit meer terug te keren naar haar gehate geboorteland. Als haar zus belt met het bericht dat haar honderddriejarige oma op sterven ligt na een terroristische aanslag op haar huis, gaat Kristien terug naar Zuid-Afrika omdat haar oma nadrukkelijk naar haar heeft gevraagd. Oma Kristina heeft Kristien uitgekozen om op haar de hele familiegeschiedenis over te dragen. Tijdens lange nachten vertelt ze haar de unieke verhalen van haar voormoeders, die Kristien allemaal opschrijft.

Zuid-Afrika bevindt zich vlak voor de eerste democratische verkiezingen van 1994, waarbij zwarten voor het eerst mogen stemmen. Tijdens de paar weken van haar verblijf in oma’s huis tekent Kristien niet alleen de verhalen van haar voormoeders op. Ze sluit tevens alsnog vriendschap met haar conservatieve zus, ze ziet haar grote liefde terug, discussieert met een ANC-delegatie, moet haar zwager van haar lijf houden, biedt onderdak aan een gewonde zwarte man, vervreemdt per telefoon van haar vriend in Londen, gaat stemmen en ze vindt eindelijk haar thuis. Ze komt tot het besef dat haar leven past in de lange lijn van Zuid-Afrikaanse vrouwen, die haar voor gingen en die ze heeft leren kennen door oma’s verhalen.

PERSONEN

Kristien, de hoofdpersoon, is een jonge, blanke Zuid-Afrikaanse vrouw die bewust geëmigreerd is naar Engeland, vast van plan nooit meer terug te komen naar haar geboorteland. Ze is erg geëmancipeerd en onafhankelijk, maar je zou ook kunnen zeggen dat ze dolende is, totdat ze terugkeert naar Zuid-Afrika. Daar vindt ze tenslotte zichzelf en is ze niet langer zoekende naar innerlijke rust.

Oma Kristina, Kristiens grootmoeder, is een eigenzinnige, sterke vrouw met een klein, frêle lijfje. Haar innerlijke kracht komt voort uit het kennen van haar plaats in de geschiedenis en in de wereld. Ze is dan ook absoluut niet bang om dood te gaan, omdat ze weet dat ze zal blijven voortbestaan. Ze wordt omgeven door mystiek en magie.

Anna, Kristiens zus, is in tegenstelling tot Kristien in Zuid-Afrika gebleven. Ze is daar getrouwd met een conservatieve, gewelddadige man, met wie ze een vrij groot gezin heeft gesticht. Ze zit vast in een bepaald patroon van overheersing en afhankelijkheid, waar ze niet gelukkig mee is. In het begin hebben Kristien en zij veel meningsverschillen, maar later kunnen ze meer begrip voor elkaar opbrengen. Kristien heeft veel invloed op haar, waardoor ze uiteindelijk ook voor de vrijheid kiest die ze in Kristien ziet. Echter op een gruwelijke manier die niemand heeft zien aankomen.

De voormoeders spelen in deze roman ook een belangrijke rol, zij het geen actieve, in het leven van Kristien. De vrouwen hebben ieder hun persoonlijke strijd en eigen vreemde onvolkomenheden. Hun geschiedenissen brengen, samen met de actualiteit, bij Kristien een bewustwordingsproces op gang, dat leidt tot het vinden van haar innerlijke vrede.

De mannen in het verhaal zijn erg stereotiep:

Kasper, de conservatieve, gewelddadige man van Anna, is een typische blanke Zuid-Afrikaanse schurk, die beheerst wordt door angst voor het onbekende en daardoor domme en gewelddadige dingen doet.

Michael, Kristiens vriend in Londen, is een enigszins karakterloos figuur, die het onderspit delft ten opzichte van Kristien. Hij wordt min of meer door haar gebruikt en hij laat zich gebruiken.

Sandile, Kristiens grote liefde, wordt gepresenteerd als een held, die zich onzelfzuchtig inzet voor de vrijheid van Zuid-Afrika. Hij zet zijn persoonlijke geluk opzij voor een groter ideaal.

THEMATIEK

Centraal in deze roman staat Kristiens zoektocht naar zichzelf, naar een plaats in de geschiedenis. Ze wordt bij deze zoektocht geholpen door haar grootmoeder, die van mening is dat ze haar oorsprong niet mag vergeten. Oma Kristina vindt het daarom ook belangrijk dat ze de verhalen over haar voormoeders opschrijft in een notitieboek. Langzaam komt Kristien tot het besef dat ze haar wortels niet kan verloochenen en dat deze wortels in Zuid-Afrika liggen. Haar zoektocht wordt met succes voltooid en ze vindt innerlijke vrede.

Het thema kan daarom geformuleerd worden als een zoektocht naar innerlijke vrede.

Ook oma Kristina is, weliswaar op kleinere schaal, op zoek naar die innerlijke vrede; voordat ze zichzelf toestaat te sterven, wil ze haar verhalen aan Kristien verteld hebben. Pas als het laatste verhaal is verteld, blaast ze haar laatste adem uit.

Deze innerlijke rust hangt samen met het ‘thuis zijn’. Oma Kristina wil haar laatste dagen niet in het ziekenhuis doorbrengen. Ze staat erop dat ze naar huis mag. Pas daar vindt ze de rust om haar verhalen aan haar kleindochter te vertellen. Dit wordt bevestigd door de zin: “Maar ze leek eindelijk ontspannen, in harmonie met de wereld” (p. 66), vlak na haar thuiskomst uit het ziekenhuis. Ook Kristien zelf vindt pas die innerlijke vrede als ze ‘thuis’ is, in de brede zin van het woord, namelijk in haar geboorteland. Het besef dat Zuid-Afrika haar thuis is, leidt tot het einde van haar zoektocht.

MOTIEVEN EN SYMBOLIEK

Er zijn enkele motieven in het boek aanwezig die steeds weer terugkeren.

Het meest opvallende is dat van de vogels:

Oma Kristina wordt constant omgeven door een zwerm vogels; als ze in het ziekenhuis ligt, is de zwerm haar gevolgd en wacht op de momenten dat ze in haar kamer mag. Later als ze naar de boerderij teruggaat, hetgeen overigens een struisvogelfokkerij is geweest, volgen de vogels de auto waarin ze wordt vervoerd. Oma Kristina zelf wordt beschreven als een vogel als ze in het ziekenhuisbed ligt: “De paar spriethaartjes op haar hoofd lijken op de flodderige nestveertjes van een jonge duif; haar gesloten ogen zien eruit als die van een dood kuiken, de roze leden dooraderd, dun als rijstpapier. Haar ene klauw, knokig en knoestig, ligt op de omslag van het laken (…)” (p. 29).

In het verhaal van voormoeder Maria spelen vogels een levensreddende rol; als Adam Oosthuizen de zieke Maria voor dood wil achterlaten in het veld, vallen allerhand soorten vogels hem aan om dat te voorkomen, zodat Adam haar toch maar meeneemt. Ook aan het eind van het verhaal van Maria komen de vogels weer terug. Adam is op zoek naar Maria, maar niemand kan hem vertellen waar hij haar kan vinden, totdat een honingvogeltje hem de weg wijst naar haar verblijfplaats. Echter als Maria hem ziet, schrikt ze zo dat ze in een boom verandert, met talloze takken die ruimte bieden aan vele vogels. Deze vogels vliegen op een dag weg met de boom Maria.

Later in het boek wordt een uitleg gegeven voor de aanwezigheid van de vele vogels: “Jaren geleden zei oma: ‘Vogels zijn de geesten van dode vrouwen'” (p. 249). In dit licht kunnen de vogels gezien worden als symbool voor de voormoeders, die over de afstammelingen waken. Zij zijn niet alleen wakers over het heden, maar ook staan zij borg voor het verleden (zie de gebeurtenis met de bruine zakken met maandverband, die de vogels wegpikken voordat Kristien ze verbrandt, p. 252). Als oma doodgaat, wordt haar geest getransformeerd in een vogel, dit wordt althans gesuggereerd op pagina 357.

Een tweede motief is dat van de zee:

Voormoeder Petronella is verliefd op de zee en wil niets liever dan een schip bouwen, maar haar moeder wil juist weg van de zee, het binnenland in. Ook in het verhaal van Samuel speelt de zee een rol. Als Samuel wegloopt, komt ze na dagen rijden bij de zee aan “die ze nooit eerder had gezien en die ze zo mooi vond dat ze er besloot te blijven” (p. 222). Ook Samuels haren worden beschreven in termen die aan de zee doen denken: “Dan doet Samuel haar ogen dicht en droomt zich ver weg van dat nederige huisje aan de oever van Keiskamma, overspoeld door het geluid van de zee, en volgt de lokken van haar haar, die uitgolven naar alle windstreken, steeds verder, voorbij alle horizons, (…) kabbelend van het licht, haar zonder einde, wereld zonder einde” (p. 227). Voormoeder Wilhelmina, die deelneemt aan de Grote Trek, wil eveneens naar de zee in plaats van het binnenland in, waardoor ze zich bij een andere groep trekkers moet aansluiten. Ook andere beelden, zoals dat van de zondvloed, verdrinken en overstromingen, staan nauw in verband met het zeemotief (zie onder andere pagina’s 230, 320, 334).

Een derde motief is dat van de spiegel:

Verschillende voormoeders hebben iets met spiegels, ofwel ze hebben er een afkeer van of ze zijn er door gefascineerd. In het verhaal van Maria en Adam heeft de spiegel bovendien de functie van een foto (p. 195-204). Samuel is in eerste instantie geobsedeerd door spiegels (p. 221) maar krijgt er later een afkeer van (p. 223). Ook Lottie bijvoorbeeld heeft veel plezier van een spiegelscherf (p. 316).

Verder spelen het motief van het blootvoets zijn en van het stom zijn nog een rol:

Het blootvoets zijn wordt geassocieerd met vrijheid, maar ook met primitiviteit (zie pagina’s 41, 194, 240, 344). Zie voor voorbeelden van het motief van het stom zijn pagina’s 203 en 241. Het duidelijkst komt dit motief naar voren in het verhaal van Maria, van wie de tong werd afgeneden zodat zij niet meer voor tolk kon spelen tussen de zwarte en blanke bevolking. Woorden betekenen in het algemeen in deze roman niet veel. Er is altijd een gebrek geweest aan communicatie, niet alleen op klein niveau zoals tussen Kristien en haar ouders en Kristien en Anna, maar ook op grotere schaal tussen de zwarte en blanke bevolking. Als Kristien net aankomt in Zuid-Afrika willen de zwarte mensen op oma’s Vogelhof nauwelijks met haar praten. Houdingen en stilzwijgen zijn in dit boek veelzeggender dan woorden. Ook de waarheid van oma’s woorden moet in twijfel worden getrokken, maar op pagina 338 komt Kristien tot de conclusie “Waarom vragen om de waarheid, wat dat ook inhoudt, als je over de verbeelding beschikt?”

TITEL EN MOTTO

Motto:

je valt van je lichaam naar je schaduw niet daar maar in mijn ogen
in een roerloze val van waterval hemel en aarde verenigd
je valt van je schaduw naar je naam onaanraakbare horizon
je stort door je evenbeelden ik ben jouw verte
je valt van je naam naar je lichaam de verste verten van zien
in een heden dat nooit eindigt verzinsels van het zand
je valt naar je begin verstrooide fabels van de wind
neerspattend over mijn lichaam ik ben de zuil van je erosies
De onwerkelijkheid van het geziene
verleent werkelijkheid aan het zien

Octavio Paz

De titel Zandkastelen komt uit een gedicht van Octavio Paz, dat in het boek is opgenomen als motto. Door de vertaling van zowel het gedicht als de titel van het boek is dit echter niet meteen duidelijk. De originele Engelse titel is Imaginings of Sand, hetgeen letterlijk vertaald kan worden als verzinsels van zand, oftewel zandkastelen. De zesde regel van het gedicht van Paz luidt: “in een heden dat nooit eindigt verzinsels van het zand”. Het gedicht van Octavio Paz kan in twee helften gesplitst worden; het cursieve deel kan als één gedicht gelezen worden en het niet-cursieve deel als een ander gedicht. Met name het cursieve gedeelte komt sterk overeen met de inhoud van de roman. De laatste twee regels: “De onwerkelijkheid van het geziene/verleent werkelijkheid aan het zien” verwoorden het proces dat Kristien doormaakt; de onwerkelijkheid van de verhalen van haar voormoeders en ook van de actualiteit, verleent haar het inzicht in zich zelf en in de Zuid-Afrikaanse situatie.In de roman wordt ook enkele malen over zandkastelen gesproken (p. 105, 345). De eerste keer gaat het over de kleine Petronella die tussen de krokodillen op het strand zandkastelen bouwt of ingewikkelde motieven in het zand tekent “om als het vloed werd gefascineerd toe te kijken hoe het werk van een dag werd uitgewist; ze wist dat ze de volgende dag altijd weer opnieuw kon beginnen” (p. 105). De zesde regel uit het gedicht van Paz “in een heden dat nooit eindigt verzinsels van het zand” sluit goed bij deze passage aan. Een heden dat nooit eindigt omdat men de volgende dag weer opnieuw kan beginnen. Er spreekt daarom, tegen deze achtergrond bezien, hoop uit de titel. Geef niet op, want er is altijd weer een nieuwe dag, vol nieuwe moed en hoop.


STRUCTUUR EN VERTELDE TIJD

Binnen het kaderverhaal, waarin het dagelijkse leven van Kristien, haar oma en haar zus wordt beschreven, bevinden zich de acht verhalen van Kristiens voormoeders. Deze acht levensverhalen worden niet in chronologische volgorde verteld, beginnend bij de oudste voormoeder. Ze worden daarentegen kriskras door elkaar verteld waardoor er af en toe wel eens wat wordt herhaald. Het kaderverhaal wordt wel in chronologische volgorde verteld. De acht verhalen binnen het kaderverhaal zijn niet alleen onderling nauw met elkaar verweven, maar zijn ook sterk ingebed in het kaderverhaal. Ze hebben een duidelijke functie voor Kristiens zoektocht.

De vertelde tijd in het kaderverhaal beslaat slechts enkele weken, de weken rondom de eerste democratische verkiezingen in Zuid-Afrika van 1994. De tijd in de acht verhalen beslaat een periode van een paar eeuwen, beginnend rond 1770 tot aan het heden.

PERSPECTIEF

Het perspectief ligt in het kaderverhaal bij Kristien. Dit is vrij uitzonderlijk aangezien de auteur een man is en hij dus een vrouwelijk perspectief heeft gekozen. Daarnaast heeft hij Kristien ook tot verteller van het verhaal gemaakt. Het verhaal is namelijk in de ik-vorm geschreven en op pagina 22 wordt duidelijk dat Kristien de vertelster is: “Nu het toch de bedoeling is dat u nog een paar honderd bladzijden in mijn gezelschap gaat verkeren, had ik eigenlijk al vanaf het begin alle registers open moeten trekken om een betere indruk te maken”. Als een verhaal in de ik-vorm is geschreven, liggen perspectiefverschuivingen niet erg voor de hand, want het is voor de vertelster onmogelijk om in de huid van een ander personage te kruipen. In de acht ingebedde verhalen over de voormoeders ligt het perspectief in het algemeen bij oma Kristina, want zij vertelt de verhalen volgens haar eigen interpretatie. Echter in de verhalen over oma Kristina’s dochter Louise en ‘moeder’ Petronella wordt de derde persoonsvorm, en niet de ik-vorm, gebruikt als het over oma Kristina zelf gaat.

Het hele boek heeft dus een vrouwelijk perspectief. André Brink heeft volgens eigen zeggen dan ook veel hulp gehad van zijn vrouw, op wie hij blindelings heeft vertrouwd bij de passages over de eerste menstruatie en de aankoop van een beha. Naast deze passages komen regelmatig feministische ideeën naar voren. Bijvoorbeeld de gedachtengang met betrekking tot de vraag waarom vrouwen trouwen (p. 123) of op pagina 227 over Wilhelmina: “Spoedig daarna ontmoette ze de vrome drol van een vent die haar leven veranderde. Is het geen waanzin dat we voor dit soort keerpunten afhankelijk zijn van mannen?” In een interview met Trouw zegt Brink dat zijn vrouw altijd heel kritisch is en dat zij hem ervan bewust maakt als hij in een passage onbewust blijk heeft gegeven van mannelijk chauvinisme. Waarschijnlijk heeft dit het hem mogelijk gemaakt een waarheidsgetrouw vrouwelijk perspectief te hanteren.

DISCUSSIEPUNTEN

1. Vertel elkaar in het kort of je het boek wel of niet mooi, meeslepend, interessant of goed geschreven vond. Hoe vind je de schrijfstijl van de schrijver? Leest het boek vlot of niet? En hoe denk je over de herhalingen?

2. Welke van de voormoeders, met hun vreemde onvolkomenheden, heeft het meeste indruk gemaakt?

3. Waarom heeft oma Kristina juist Kristien uitgekozen om de familiegeschiedenis op over te dragen? Zijn daar meerdere redenen voor?

4. De recensent Gitte Postel schrijft in VN van 25 mei 1996 over het boek dat het enige dat iets minder geloofwaardig overkomt, de sneltreinvaart is waarin Kristien het proces doormaakt “zonder ook maar een moment uit de bocht te vliegen”. Ze maakt in die paar weken ontzettend veel mee en ondertussen voltooit ze ook de zoektocht naar innerlijke vrede. Ben je het met de recensent eens dat de snelheid waarin alles plaats vindt ongeloofwaardig is?
En is dit het enige in de roman dat niet geloofwaardig overkomt?

5. De keuze die Anna maakt om te ontsnappen uit haar gevangenis van afhankelijkheid en onderdrukking is erg dramatisch, maar zij ziet zelf geen andere uitweg. Zie je voor haar een andere mogelijkheid om te ontsnappen? Met andere woorden, was het voor Anna mogelijk geweest om innerlijke vrede te vinden ín het leven zelf?

6. Maak een opsomming van de magische, mysterieuze of zelfs absurde dingen die in het boek voorkomen.

7. Wat is de functie van de verbeelding voor oma Kristina en haar kleindochter?

8. Gitte Postel stelt in VN dat Zandkastelen door het spanningsveld tussen optimisme en wanhoop een van Brinks mooiste boeken is. Kun je weergeven waaruit dit optimisme enerzijds en deze wanhoop anderzijds bestaat en hoe dit zogenaamde spanningsveld ontstaat in het boek?

banner-Schrijversdossier-terug-naar-Andre-BrinkGERAADPLEEGDE LITERATUUR
– Dis, Adriaan van. ‘André Brink in Kennis van de avond: Een Afrikaner op verboden terrein’, in: NRC Handelsblad 17-09-1976.
– Elnadi, B. en A. Riraat. ‘In gesprek met André Brink’, in: Unesco koerier (1993) afl. 243: p. 4-8.
– Glorie, Ingrid. ‘De laatste resten mannelijk chauvinisme’, in: Trouw 02-05-1996.
– Harn, Ko van. ‘Cultuur moet je gebruiken om mensen van inzicht te laten veranderen’, in: De Tijd 18-03-1983.
– Postel, Gitte. ‘Achterwaarts de toekomst in gesleurd’, in: Vrij Nederland 25-05-1996

Share